Alimentatie in België (onderhoudsgeld)


© CASSIER & VAN MALDEGHEM / Raadplegingen te Antwerpen, Berlare en Gent - klik voor meer info


Het principe is eenvoudig: iedereen die een kind verwekt, erkent of adopteert, is verplicht om naar vermogen bij te dragen aan de kosten die verbonden zijn aan het levensonderhoud en passende opleiding van het kind.

De basis wordt gevormd door art. 203, § 1 B.W. zoals gewijzigd door de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. (cf. infra)

Dit principe is vrij makkelijk toe te passen wanneer beide ouders samen instaan voor de opvoeding van het kind.

Moeilijker wordt het wanneer beide ouders niet meer gezamenlijk instaan voor de opvoeding-onderhoud van hun kind.

Alimentatie is dan de vergoeding van de ene ouder aan de andere ouder. Deze vergoeding wordt ofwel vastgelegd tussen de ouders in een onderlinge overeenkomst of door de rechtbank opgelegd aan de ouder die in hoofdzaak de kosten voor het levensonderhoud draagt.

Let op, alimentatie dient onderscheiden te worden van persoonlijk onderhoudsgeld, i.e. de vergoeding tussen ex-partners.

De alimentatie blijft in principe verschuldigd zolang het kind zijn opleiding niet heeft voltooid en minstens tot het meerderjarig is. De alimentatieplichtige mag niet stoppen met betalen wanneer het kind 18 is geworden maar wel nog studeert, voor zover de studies een normaal verloop kennen en het kind blijk geeft van voldoende ijver en bekwaamheid. In de praktijk kan dit laatste aanleiding geven tot discussies, waarbij uiteindelijk een rechter het laatste woord heeft. Een aantal principes vloeit evenwel uit de, talrijke, uitspraken, voort:

- de studies moeten een normale voortgang kennen. Tragische familiale omstandigheden of opvoedkundige verwaarlozing kunnen dan weer een verlenging rechtvaardigen;
- de ouderlijke plicht eindigt bij het verwerven van een einddiploma van het hoger onderwijs dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt. Een bijkomende studie valt dus in principe niet meer onder de alimentatieverplichting;
- er moet rekening gehouden worden met de eigen inkomsten van de student;
Er moet rekening gehouden worden met de prioritaire onderhoudsaanspraak van het gehuwde kind t.o.v. zijn echtgenoot;
- de ouders moeten niet bijdragen in niet-noodzakelijke meeruitgaven van de student, zoals bv. de eenzijdige beslissing om op kot te gaan.

Er bestaat geen vast systeem om onderhoudsgeld te berekenen in België. Er bestaan evenwel een aantal formules aan de hand waarvan de alimentatie bij benadering berekend kan worden.


Wet betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag 13 april 1995

Artikel 1. Artikel 108 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 108. De niet-ontvoogde heeft zijn woonplaats in de gezamenlijke verblijfplaats van zijn ouders of, indien die niet samenleven, in de verblijfplaats van één van beiden.
Degene die onder voogdij is geplaatst, heeft zijn woonplaats bij zijn voogd. "

Art. 2. In artikel 203, § 1, van hetzelfde Wetboek, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
"De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen."

Art. 3. Artikel 302 van hetzelfde Wetboek Wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 302. Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding worden het gezag over de persoon van het kind en het beheer van zijn goederen ofwel door beide ouders gezamenlijk uitgeoefend ofwel door degene aan wie ze werden toevertrouwd, hetzij bij een overeenkomst tussen partijen die behoorlijk werd bekrachtigd zoals bepaald is in artikel 1258 van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij een beschikking van de voorzitter rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, onverminderd het bepaalde in artikel 387bis van dit Wetboek. "

Art. 4. Artikel 303 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 5. Artikel 371 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 371. Een kind en zijn ouders zijn op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd."

Art. 6. Art. 372 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 372. Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding."

Art. 7. Artikel 373 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 373. Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met gezag verband houdt behouden de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de jeugdrechtbank aanhangig maken.
De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen."

Art. 8. Artikel 374 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 374. Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden.
Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde rechter de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.
Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen.
Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden.
In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf."

Art. 9. Artikel 375 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt :
"Als van beide ouders er geen overblijft die in staat is het ouderlijk gezag uit te oefenen, moet een voogdijregeling worden uitgewerkt. "

Art. 10. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 375bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 375bis. De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft.
Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de jeugdrechtbank."

Art. 11. Artikel 376 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de jeugdrechtbank wenden."

Art. 12. Artikel 377 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 13. Artikel 384 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
"Art. 384. De ouders hebben het genot van de goederen van hun kinderen tot aan hun meerderjarigheid of hun ontvoogding. Het genot wordt gekoppeld aan het beheer : het behoort toe , hetzij aan de beide ouders samen hetzij aan de ouder die belast is met het beheer van de goederen van het kind."

Art. 14. Artikel 385 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.

Art. 15. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387bis ingevoegd, luidend als volgt :
"Art. 387bis. In alle gevallen, en onverminderd de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de jeugdrechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen, dan wel van de procureur des Konings alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of wijzigen. "

Art. 16. Artikel 1279 van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgeheven.

Art. 17. In artikel 1288, 2°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "het bestuur over de persoon en over de goederen van de kinderen" vervangen door de woorden "het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de kinderen", en de woorden" en het recht van bezoek" door de woorden "en het recht op persoonlijk contact zoals bedoeld in artikel 374, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek".





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.

Actueel
Handelsrecht
Bouwrecht
Vastgoedrecht
Contractenrecht
Gerechtelijk recht



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 244 18 34


kantoor@cvm-advocaten.be