Nietigheid verwerping nalatenschap wegens bedrog of dwaling


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Gent 19 februari 2009 (11b Kamer)

Samenvatting: - overeenkomst tussen echtgenote van de decujus (in tweede huwelijk) en de kinderen uit eerste huwelijk in uitvoering waarvan een verwerping van nalatenschap wordt gedaan door deze echtgenote was nietig wegens wilsgebrek.
- dat heeft als gevolg dat de verwerping van nalatenschap door deze echtgenote eveneens nietig is.
(zie ook N-20081023-6)

Trefwoorden: verwerping nalatenschap


TUSSENARREST
na tussenarrest dd. 23-10-2008
heropening der debatten dd. 10-9-2009 om 10.30 h.

- In de zaak met het rolnummer 2006/AR/569 van:

P. M. M.,


appellante

tegen :

1. D. I., ,

eerste ge´ntimeerde, oorspronkelijk eiseres,

2. B. R.,
wonende te

3. B. I.,
wonende te


4. B. E.,
wonende te

tweede, derde en vierde ge´ntimeerden,


velt het hof het volgend arrest.


1.

Dit Hof, zelfde kamer heeft ingevolge het beroep tegen het vonnis dat de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer, op 21.10.2005 tussen partijen heeft gewezen, reeds op 23.10.2008 een arrest geveld waarbij aan appellante de verplichting werd opgelegd om over te gaan tot een bijkomende borgstelling en om daartoe het bedrag van 1.000 EUR te storten in de Deposito- en Consignatiekas.

Aan de schorsing van de rechtspleging die gebeurde bij arrest van 23.10.2008 kwam een einde doordat op de zitting van 22.01.2009 waarop de zaak was uitgesteld, bewezen werd dat de storting van het genoemd bedrag werd uitgevoerd.


2.

Het is gebleken dat appellante gegriefd is door het feit dat de eerste rechter de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij, thans appellante, zoals uitgebreid in conclusies van 11 juni 2004 afwees als ongegrond. De eerste rechter besliste immers dat de vordering tot nietigverklaring ongegrond was. Bedoeld werd de vordering tot nietigverklaring van de dading en de verwerpingsakte, die in uitvoering van artikel 784 B.W. werd opgemaakt op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 1 december 1998.

Artikel 785 B.W bepaalt dat de erfgenaam die de nalatenschap verwerpt, wordt geacht nooit erfgenaam te zijn geweest. Appellante die deze verwerping deed, was gehuwd met S.B. in tweede huwelijk en zou de omvang van haar rechten als erfgename slechts kennen na afloop van een vereffening en verdeling van de huwgemeenschap die bestaan had tussen S.B. en I.D. waarvan hij gescheiden was.
De verwerping is een eenzijdige rechtshandeling die zijn oorzaak vindt in een overeenkomst die tussen appellante en de kinderen van S.B. tot stand was gekomen en waarvan schriftelijk een bevestiging is gebeurd op de dag van de ondertekening van de verwerpingsakte, meer bepaald - volgens appellante - op het kantoor van haar advocaat te Brussel na terugkeer uit Brugge waar de verwerpingsakte was getekend. In dat verband wordt geciteerd uit het proces-verbaal van verhoor d.d. 14.01.2005: " Op het kantoor in Brussel heb ik dan bij mijn advocaat op een bestaande brief van de advocaat van de familie B. voor akkoord afgetekend. U legt mij de brief van 20 oktober 1998 voor, uitgaande van meester Wellekens, naar het advocatenkantoor te Brussel: ik bevestig dat het op deze brief is dat ik mijn akkoord heb getekend. Op dit ogenblik was meester Wellekens niet aanwezig. Ik herinner mij niet meer perfekt, doch ik weet dat ik aanvankelijk alleen mijn handtekening had gezet met de datum, doch mijn advocaat liet mij ook de woorden ‘Por acuerdo' er bij schrijven..."

Er wordt aldus niet getwijfeld aan het bestaan van een voorafgaande overeenkomst die de oorzaak en de verklaring is geweest voor de verwerping. Indien de overeenkomst nietig wordt verklaard, betekent dit dat er voor de eenzijdige rechtshandeling geen oorzaak was met als gevolg dat de verwerping ook nietig is. Derhalve wordt eerst beoordeeld of de overeenkomst nietig is. Aangezien de kinderen B. aanvaardende erfgenamen zijn, kan appellante niet louter haar verwerping herroepen bij toepassing van artikel 790 B.W.

Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat het hier niet gaat om ÚÚn van de gevallen besproken in artikel 780 B.W. omdat het daarin niet gaat om een overeenkomst die zoals in onderhavig geval, wordt uitgevoerd door een akte van verwerping ter griffie te ondertekenen maar wel om een overeenkomst die op zichzelf bestaat zonder dat gebruik is gemaakt van de in artikel 784 B.W. bedoelde verwerping bij wijze van eenzijdige rechtshandeling (zie : DE PAGE IX nr 736 p 533).

De overeenkomst is geen dading, zodat de bepalingen van het B.W. aangaande de dading hier niet aan de orde zijn.
Een dading is een overeenkomst waarbij partijen een einde maken aan een bestaand of toekomstig geschil door middel van wederzijdse toegevingen (art. 2044 B.W. ; CASS. 26 september 1974 Arr. Cass. 1975, 122 RW 1974-1975, 1125). De tot stand gekomen overeenkomst heeft louter betrekking op de rechten die appellante uit hoofde van de wet heeft in de nalatenschap en waaraan ze zich bereid verklaarde te verzaken zonder dat de rechten in betwisting waren of zouden kunnen komen.


In de overeenkomst zijn voorwaarden overeengekomen waarin appellante zou verzaken aan haar erfrechten. Er werd aldus ook voorzien in de betaling door de familie B. aan appellante van een bedrag van 15.000 US Dollar (welk bedrag door appellante in haar conclusies van 11 juni 2004 blijkt omgerekend te zijn naar 14.873,61 EUR). Deze overeenkomst kan niet geldig zijn als appellantes toestemming gebrekkig is geweest.

Alles hangt nu af van het bewijs dat haar toestemming gebrekkig is geweest door bedrog of door dwaling.

Hierna wordt de aandacht gevestigd op elementen van het dossier, die belangrijk zijn voor de beoordeling van het bestaan van bedrog en/of van een verschoonbare dwaling.

Op het ogenblik van het overlijden bestond er nog steeds een postcommunautaire onverdeeldheid die ontstaan was door de ontbinding van het huwelijksstelsel tussen S.B. en I.D. ten gevolge van de echtscheiding krachtens het vonnis van 22.09.1997, gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, die gevat was door de eis tot echtscheiding van I.D. (verzoekschrift echtscheiding neergelegd op 17.11.1993).

Notaris V. De Schepper was aangesteld als boedelnotaris.

De aangifte van nalatenschap die op 18 februari 1999 werd ondertekend door de kinderen B. (onder voorbehoud van al hun rechten), maakte gewag van 800 aandelen toebehorende aan de huwgemeenschap in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Truck Tanking Zeebrugge voor een waarde van 9.940.000 oude BEF (800 x 12.425 oude BEF) waarvan de helft voor elk van de gewezen echtgenoten 4.970.000 oude BEF beloopt.

Uit de aangifte van nalatenschap blijkt dat de nalatenschap buiten de helft in de huwgemeenschap ook nog bestond uit niet onbelangrijke rechten in de nalatenschap van de vader van S.B..

Volgens de aangifte was het passief van de nalatenschap bepaald op 965.859 oude BEF tegenover een actief van 19.805.708 oude BEF en beliep de nettowaarde van de nalatenschap een bedrag van 18.839.849 oude BEF (467.027.65 EUR).

Op 9 juli 1998 gebeurde er een ontzegeling met inventaris te waar S.B. gedomicilieerd was zoals ook zijn kinderen I. (die 21 jaar was) en E. B. (die bijna 19 jaar was) en op die manier hebben de erfgenamen wel veel informatie gekregen, zonder dat gebleken is dat die informatie is doorgegeven aan appellante, die inmiddels al in Cuba het niet-betwist bezoek had gekregen van 3 mannen waaronder de advocaat van de familie B. (zie het verhoor van appellante waarbij gewag werd gemaakt van dat bezoek 15 dagen na het overlijden) en die tegenover notaris V. De Schepper die de inventaris opmaakte, door de familie B. verzwegen werd, wetende dat ze rechten had in de nalatenschap (aangezien er al een bezoek was gebracht aan appellante). Op 2 juli 1998 was in de registers van de burgerlijke stand van Stad Brugge inmiddels ook de overschrijving gebeurd van de akte van huwelijk, afgeleverd in Cuba (stuk 3 van Mr Wellekens)

De wet bepaalt de reserve voor de overlevende echtgenote op het vruchtgebruik voor de helft van de nalatenschap. De waarde van het vruchtgebruik bedroeg een veelvoud van de ontvangen som van 14.873,61 EUR (15.000 USD) gelet op de jonge leeftijd van appellante (geboren 09.11.1974) die op het ogenblik van het overlijden 23 jaar was. Aan de hand van de informatie die al spoedig beschikbaar was, kon uitgemaakt worden dat het bedrag van 14.873,61 EUR slechts een peulschil was tegenover de werkelijke waarde van haar rechten.

Het bezoek dat in Cuba aan appellante werd gebracht en de besprekingen aldaar hebben niet meteen resultaat opgeleverd. Uit het relaas zowel van de familie B. als van appellante blijkt dat de besprekingen gingen over het bedrag dat uiteindelijk 15.000 US Dollars beliep, zoals op 1 december 1998 is gebleken. Appellante zegde dat haar 5.000 US Dollar was geboden. De familie B. zegt in de conclusies d.d. 23.09.2005 dat haar aanspraken te hoog waren. Het is dus duidelijk dat er tussen appellante en de familie B. onmiddellijk is gesproken over een oplossing, waarbij appellante zich niet zou inlaten met de nalatenschap van S.B..

Het bezoek in Cuba kan niet anders dan overrompelend geweest zijn voor appellante. Niets wijst erop dat dit bezoek er kwam op haar vraag. Er is geen spoor van een voorafgaande briefwisseling uitgaande van de familie B. en / of hun advocaat die erop wijst welke besprekingen men op het oog had. In de gegeven omstandigheden wordt geoordeeld dat de familie B. uit eigen belang aan appellante een bezoek heeft gebracht dat gekenmerkt is door een gebrek aan gelijkwaardigheid van de partijen die elkaar toen ontmoetten.


Het is niet betwist dat er drie personen waren afgereisd naar Cuba. Deze drie personen hadden eenzelfde betrachting en hun kennis van de zakelijke situatie van S.B. en van het Belgische erfrecht overtrof de kennis die appellante daarover had en die zo goed als onbestaande was.

Na afloop van dat bezoek was er niets besloten maar het is duidelijk dat de toon gezet was; de besprekingen werden gevoerd op het niveau van de belangen van de onderscheiden partijen zonder eerst een juiste benadering te doen van deze belangen. Tussen het einde van het bezoek in Cuba en de aankomst van appellante in Brussel eind november 1998, zijn er verdere contacten geweest. Dat staat vast doordat er in conclusies sprake is van tussen advocaten gevoerde briefwisseling waaromtrent de stafhouder besliste dat ze niet mocht aangewend worden in het geschil, terwijl de familie B. deze had willen voorleggen.
Op zeker ogenblik is door appellante beroep gedaan op een Spaanssprekend advocaat in Brussel maar wat de opdracht van deze advocaat geweest is, is voor het Hof onduidelijk. Bij gebrek aan andere aanwijzingen moet het Hof aannemen dat deze contacten alleen een voortzetting waren van de in Cuba gestarte besprekingen waardoor er uiteindelijk wel een akkoord bestond over 15.000 US Dollar als tegenprestatie voor het tekenen van de verwerpingsverklaring.

Het is niet duidelijk of appellante wel heeft geweten dat ze als overlevende echtgenote een wettige erfgename was maar het is wel duidelijk dat de familie B. appellante om de tuin heeft geleid door niet de informatie te geven terwijl het verschaffen van die informatie was vereist. De informatieverplichting die door de kinderen B. werd miskend, volgde uit het feit dat ze mede-erfgenamen waren en uit het feit dat ze contractanten waren.
Doordat de kinderen B. met opzet de verkeerde houding hebben aangenomen, bevond appellante zich bij het sluiten van de overeenkomst die op 1.12.1998 werd uitgevoerd, in een situatie waarbij zij nog maar enkel als wettige erfgename gekend was bij de familie B. en bij de betrokken advocaten (dus niet bij notaris Valerie De Schepper die op 9 juli 1998 de inventaris maakte en afsloot) en waarbij zij ten onrechte de overtuiging had gekregen dat haar belangen waren gediend door al op 1.12.1998 een verklaring te tekenen en 15.000 US Dollar te ontvangen waarmee de nalatenschap voor haar afgewikkeld was.
Aangezien er voor de kinderen B. geen reden was om spoedig na het overlijden naar Cuba af te reizen, hecht het Hof geen geloof aan de bewering dat zij door appellante werden aangezet tot de voormelde besprekingen.


De hoger vermelde omstandigheden en overwegingen brengen het Hof tot het besluit dat de houding van de ge´ntimeerden B. gericht is geweest op een ongeoorloofde manipulatie van appellante waardoor ze niet tot een normale afwikkeling van de nalatenschap is kunnen komen. Door de manipulatie is er geen vrije toestemming geweest van appellante bij het sluiten van de overeenkomst en is deze overeenkomst nietig met het reeds hoger gezegd gevolg dat de verwerping als eenzijdige rechtshandeling een oorzaak mist en derhalve nietig is.


3.

Nu de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij in hoofdzaak is ingewilligd, is het aangewezen dat partijen zich nu eerst beraden hoe het nu verder moet gaan.

Er rijzen immers verschillende vragen.
Een eerste vraag is of er iets voorzien is of moet voorzien worden met betrekking tot de akte van verklaring van verwerping van de nalatenschap als er geen overeenstemming meer is tussen de inhoud van deze akte en de inhoud van onderhavig arrest. Mogelijks zou het volstaan dat aan appellante de verplichting wordt opgelegd om kennisgeving te doen van onderhavig arrest aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, opdat aldaar zou kunnen gehandeld worden als naar recht.
Vervolgens rijzen nog volgende vragen:
- geven partijen er zich rekenschap van dat een rechtbank die de vereffening en verdeling beveelt van de nalatenschap van de eerststervende van de echtgenoten doorgaans oordeelt dat de vereffening en verdeling van de huwgemeenschap daaraan moet voorafgaan en wat is in deze zaak het standpunt van de partijen;
- is het niet geraadzaam dat appellante uitlegt welke de rechten zijn enerzijds van appellante en anderzijds van de kinderen B. in de onverdeeldheid waarvan de vereffening en verdeling wordt gevorderd, rekening houdend dat een onverdeeldheid bestaat zodra verscheidene personen op eenzelfde zaak (of op verscheidene zaken, of op een geheel van goederen en schulden, massa of boedel genaamd) rechten van dezelfde aard uitoefenen en dat er geen onverdeeldheid bestaat tussen de blote eigenaar en de vruchtgebruiker;
- volstaat het vooralsnog niet dat appellante zich bij de hervatting van de werkzaamheden van vereffening en verdeling van de huwgemeenschap B. - D. meldt als wettige erfgename van S.B. om daarna te bepalen of het een verschil uitmaakt dat het bevelen van de vereffening en verdeling van de nalatenschap gebeurt door het Hof (met als gevolg dat de boedelnotaris desgevallend de stukken bedoeld in artikel 1219 § 2 Gerechtelijk Wetboek neerlegt ter griffie van het Hof) of door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (met als gevolg dat de bedoelde stukken dan neergelegd worden ter griffie van genoemde rechtbank);

In de gegeven omstandigheden worden de debatten heropend opdat de partijen zich over deze vragen zouden kunnen buigen en er standpunt over zouden kunnen over innemen.


OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

In voortzetting van het arrest van 23.10.2008;

Verklaart het beroep ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate reeds gegrond;

Doet het vonnis van 21.10.2005 teniet behalve waar het zegt dat de vordering van de vrijwillig tussenkomende partij ontvankelijk is.

En opnieuw wijzend,
verklaart de vordering van P. M. M. gegrond in de hierna bepaalde mate.

Verklaart nietig:
- de overeenkomst in uitvoering waarvan appellante op 01.12.1998 op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (akte nr 98 - 475) de verklaring van verwerping van de nalatenschap van S.B. ondertekende en 15.000 US Dollars heeft ontvangen;
- de voornoemde verklaring van verwerping van nalatenschap;

En alvorens verder te oordelen heropent de debatten omwille van de voormelde vragen;

Stelt de zaak vast op de openbare terechtzitting van DONDERDAG 10 september 2009 om 10.30 uur;

Zegt dat partijen hun schriftelijke opmerkingen zullen laten kennen door middel van conclusies die ze zullen ter griffie neerleggen binnen volgende termijnen:
- voor appellante uiterlijk op 26 maart 2009;
- voor ge´ntimeerden uiterlijk op 30 april 2009;
- voor appellante uiterlijk op 4 juni 2009;
- voor ge´ntimeerden uiterlijk op 16 juli 2009;

Reserveert de uitspraak nopens de kosten.


Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 11e-b kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 19-2-2009.

Aanwezig:
- P. De Buck, voorzitter ;
- B. De Wilde, griffier.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be