Meerwaarde en onteigening


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Om billijk te zijn, moet de onteigeningsvergoeding even groot zijn als het bedrag dat moet betaald worden om zich een onroerend goed aan te schaffen van dezelfde waarde als het goed waarvan de onteigende werd ontzet (1); de veschuldigde belasting op de onteigeningsvergoeding staat in oorzakelijk verband met de onteigening (2); indien de onteigeningsvergoeding als gedwongen meerwaarde in hoofde van de onteigende wordt belast, moet die vergoeding worden verhoogd met de erop verschuldigde belasting teneinde de onteigende toe te laten een gelijkwaardig goed aan te kopen (1). (1) Cass., 24 april 1980, A.C., 1979-80, nr. 541; (2) Zie Cass., 31 jan. 2008, AR C.06.0250.N, A.C., 2008, nr. 76

Cass 29 oktober 2009

Nr. C.08.0436.N
SANKT ANTONIO, naamloze vennootschap, met zetel te 3000 Leuven, Bogaardenstraat 97, bus 29,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Jean-Marie Nelissen Grade, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
STAD LEUVEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met zetel te 3000 Leuven, Grote Markt,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 9 januari 2007 gewezen door het hof van beroep te Brussel.
Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift vier middelen aan.
Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
1. De eiseres vorderde bij hervorming van het beroepen vonnis dat de wederbeleggingsvergoeding op de onteigeningsvergoeding zou worden bepaald op 25,5 pct.
De verweerster die op dat punt de bevestiging van het beroepen vonnis nastreefde, voerde aan dat het percentage van de wederbeleggingsvergoeding 19 pct. diende te bedragen.
2. De appelrechters die met hervorming van het beroepen vonnis de wederbeleggingsvergoeding berekenen tegen 17,5 pct., schenden artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen.
Het middel is gegrond.
Tweede middel
Gronden van niet-ontvankelijkheid
Eerste grond van niet-ontvankelijkheid
3. De verweerster werpt op dat het middel niet ontvankelijk is omdat het tegen een ten overvloede gegeven reden is gericht en niet opkomt tegen de reden dat de belasting op de onteigeningsvergoeding een gebeurlijke belasting betrof.
4. Anders dan de verweerster aanvoert, oordeelt het arrest niet dat de verschuldigde belasting niet voor vergoeding in aanmerking komt om de enkele reden dat de belastingschuld niet zeker is.
De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
Tweede grond van niet-ontvankelijkheid
5. De verweerster voert aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat de beslissing dat de forfaitaire wederbeleggingsvergoeding het dekken van de kosten bij aankoop van een ander onroerend goed beoogde, niet wordt aangevochten.
6. Die reden van het arrest houdt geen verband met de vraag of de belasting verschuldigd op de onteigeningssom voor vergoeding in aanmerking komt, maar heeft enkel betrekking op de kosten die gepaard gaan met de aankoop van een nieuw onroerend goed.
De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
Middel
7. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat iemand slechts tegen een billijke en voorafgaande schadeloosstelling ten algemenen nutte van zijn eigendom kan worden ontzet.
Om billijk te zijn, moet de onteigeningsvergoeding even groot zijn als het bedrag dat moet betaald worden om zich een onroerend goed aan te schaffen van dezelfde waarde als het goed waarvan de onteigende werd ontzet.
De verschuldigde belasting op de onteigeningsvergoeding staat in oorzakelijk verband met de onteigening.
Indien de onteigeningsvergoeding als gedwongen meerwaarde in hoofde van de onteigende wordt belast, moet die vergoeding worden verhoogd met de erop verschuldigde belasting teneinde de onteigende toe te laten een gelijkwaardig goed aan te kopen.
8. Het arrest dat niet onderzoekt of de onteigende belasting verschuldigd is op de naar aanleiding van de onteigening gerealiseerde gedwongen meerwaarde en beslist dat de "gebeurlijke belasting" niet het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de onteigening en derhalve geen vergoedbare schade uitmaakt, schendt artikel 16 van de Grondwet.
Het middel is gegrond.
Derde middel
9. De appelrechters oordelen dat de vergoeding voor vertraging in de schadeloosstelling en voor de muntontwaarding voldoende gedekt wordt door het toekennen van interest aan de wettelijke rentevoet over de ganse in aanmerking genomen periode vanaf 13 oktober 1997.
10. Door evenwel de eiseres te veroordelen tot terugbetaling van het verschil tussen de onteigeningsvergoeding zoals door hen vastgesteld en de onteigeningsvergoeding zoals vastgesteld door het beroepen vonnis, zonder daarbij rekening te houden met de interest waarvan zij aannemen dat hij verschuldigd is, schenden de appelrechters artikel 16 van de Grondwet.
Het middel is in zoverre gegrond.
Vierde middel
11. De appelrechters oordelen enerzijds dat de onteigeningsvergoeding die aan de eiseres toekomt 219.801,55 euro bedraagt.
Zij stellen anderzijds vast dat de verweerster na het provisioneel vonnis van de vrederechter van 13 oktober 1997 op 7 november 1997 het bedrag van 2.385.000 frank (thans 59.122,61 euro) in bewaring heeft gegeven en dat na het vonnis van de vrederechter van 22 februari 2000, waarbij de voorlopige onteigeningsvergoeding werd bepaald, de verweerster op 17 maart 2000 aanvullend het bedrag van 7.274.987 frank (thans 180.342,22 euro) in bewaring heeft gegeven, zodat de verweerster in totaal 239.464.,83 euro heeft in bewaring gegeven.
Zij veroordelen de eiseres tot terugbetaling van het verschil van 42.516,52 euro rekening houdend met de in het beroepen vonnis toegekende definitieve onteigeningsvergoeding van 262.318,07 euro.
12. Door de eiseres te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag dat hoger is dan het verschil tussen de reeds in bewaring gegeven bedragen en het bedrag van de onteigeningsvergoeding zoals het door hen is vastgesteld, schenden de appelrechters artikel 16 van de Grondwet.
Het middel is in zoverre gegrond.
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Ghislain Londers, als voorzitter, en de raadsheren Eric Dirix, Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Geert Jocqué, en in openbare terechtzitting van 29 oktober 2009 uitgesproken door eerste voorzitter Ghislain Londers, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be