Handelsfonds - certificaat WIB


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Hof van Beroep te Gent, 28 juni 2002

Integrale tekst:

in de zaak van:


C.V.B.A. GRAND HOTEL GEORGE V, met maatschappelijke zetel te 8400 Oostende, Vlaanderenstraat 42 en ingeschreven in het handelsregister te Oostende onder nr. 19.211,

appellante,


tegen:



B.V.B.A. LE BAUDOUIN, met maatschappelijke zetel te 8400 Oostende, Gistelsesteenweg 1 en ingeschreven in het handelsregister te Oostende onder nr. 37.003,

ge´ntimeerde,


velt het Hof volgend arrest:



Het Hof heeft in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies gehoord, alsmede de stukken ingezien.

Het tijdig en op rechtsgeldige wijze ingesteld hoger beroep betreft het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, derde kamer, van 6 januari 2000.



I. Voorgaanden.


1. Appellante kocht bij overeenkomst van 30 maart 1998 van ge´ntimeerde het handelsfonds hotel ¿Le Baudouin' voor de som van 4.750.000 frank (= _ 117.749,42), waarop op 7 april 1998 een voorschot van 950.000 frank (= _ 23.549,88) werd betaald. Het saldo diende te worden betaald binnen de dertig dagen na ondertekening van de overeenkomst, hetzij uiterlijk tegen 1 mei 1998.

Met dagvaarding van 24 november 1998 beklaagt ge´ntimeerde zich over de niet-betaling van dit saldo en vordert zij, naast de betaling ervan, een schade¬vergoeding wegens laattijdige betaling, alles samen begroot op 4.698.222 frank (= _ 116.465,88). In ondergeschikte orde vordert zij de ontbinding van de overeenkomst lastens appellante en haar veroordeling tot betaling van 1.594.818 frank (= _ 39.534,51) schadevergoeding.

Rekening houdend met de kort na dagvaarding uitgevoerde betalingen, wordt ge´ntimeerde's vordering in conclusies herleid tot 1.133.270 frank (= _ 28.093,03).

Appellante stelt dat ge´ntimeerde's vordering zonder voorwerp is, nu de aankoopsom volledig werd vereffend. De laattijdigheid van de betaling is volgens haar uitsluitend te wijten aan appellante, die in gebreke bleef haar tijdig het fiscaal certificaat, conform artikel 442bis van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, te bezorgen, waaruit moet blijken dat ge´ntimeerde vrij was van fiscale schulden.


2. De eerste rechter stelt vast dat het saldo van de aankoopsom pas na dagvaar¬ding werd betaald, zodat er, rekening houdend met de stringente contractuele bedingen, zeker sprake is van een laattijdige betaling, waarvoor de niet-voorlegging van het fiscaal certificaat niet als verontschuldiging kan worden ingeroepen.

Met betrekking tot de precieze becijfering van de schade, die ge´ntimeerde ingevolge de laattijdige betaling heeft geleden, wordt een deskundige aange-steld.


3. Appellante is van mening dat, nu artikel 442bis van het Wetboek van Inkomstenbelastingen de hoofdelijke aansprakelijkheid van de overnemer voor de eventuele fiscale schulden van de overlater voorziet, zij er niet toe gehou¬den was de aankoopsom te vereffenen, vooraleer een certificaat werd voorge¬legd. Overigens wijst zij er op dat het saldo van de aankoopsom werd gecon¬signeerd in handen van een notaris, zodat haar geen enkele fout kan worden ten laste gelegd.



4. Ge´ntimeerde besluit tot de afwijzing van het hoger beroep en vordert thans in hoofdorde, gelet op het inmiddels uitgevoerd deskundigenonderzoek, betaling van 264.540 frank (= _ 6.557,78), minstens 186.190 frank (= _ 4.615,53). Uiterst subsidiair vraagt zij de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter.




II. Bespreking.


1. Gelet op de bepalingen van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek, kan het Hof in geen geval kennis nemen van het deskundigenonderzoek en van de daarop gesteunde vordering van ge´ntimeerde, nu, in geval de in het bestreden vonnis bevolen onderzoeksmaatregel wordt bevestigd, voormelde wetsbepa¬ling de rechter in hoger beroep de verplichting oplegt de zaak terug te verwij¬zen naar de eerste rechter.


2. Krachtens artikel 442bis van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, zoals het in voege was bij de contractsluiting op 30 maart 1998, is de overdracht van een handelsfonds slechts tegenstelbaar aan de administratie der directe belas¬tingen na afloop van de tweede maand die volgt op die waarin de overeen-komst werd geregistreerd, tenzij tegelijk met de registratie van de overdracht¬overeenkomst een eerder door die administratie afgeleverd certificaat eveneens wordt geregistreerd. Dit certificaat attesteert dat de overlater geen fiscale schuld heeft.

Als gevolg van deze niet-tegenstelbaarheid is de overnemer hoofdelijk aan¬sprakelijk voor de betaling van de belastingschulden van de overlater.

De stelling van ge´ntimeerde, hierin gevolgd door de eerste rechter, komt er op neer dat, nu in de overdrachtovereenkomst niets werd bedongen omtrent de afgifte van dit certificaat, zij niet gehouden was tot de afgifte ervan en dienvol¬gens appellante het ontbreken van een certificaat niet kon inroepen om haar betalingsverplichting op te schorten.

Dit standpunt kan niet worden bijgetreden. De loutere omstandigheid dat in het contract niets wordt vermeld omtrent de aflevering van het certificaat belet niet dat het hier een, weliswaar niet expliciet contractueel bedongen, maar niette¬min door de wet opgelegde verplichting betreft in hoofde van de overlater, waarop de overnemer zich kan beroepen.

Bij gebrek aan naleving van de voorschriften van artikel 442bis van het Wetboek van Inkomstenbelastingen, meer in het bijzonder het voorleggen van het daarin vermeld certificaat door de overdrager (die als enige die dit certifi¬caat bij de fiscale administratie kan aanvragen), loopt de overnemer immers het risico hoofdelijk te worden aansprakelijk gesteld voor de belastingschulden van de overdrager tot beloop van de bedragen, die hij reeds zou hebben betaald. Met andere woorden, hij riskeert een tweede maal te moeten betalen. (zie : M. Krings, Nouvelles incidences - pas uniquement - fiscales en matiŔre de cessions d'universalitÚ, J.T. 1997, 189).


Reeds op 30 april 1998 werd ge´ntimeerde aangemaand om het certificaat voor te leggen en werd zij gewezen op het feit dat dit diende voorhanden te zijn bij de betaling van het saldo. Dat het niettemin heeft geduurd tot eind oktober 1998, vooraleer dit certificaat werd voorgelegd is uitsluitend te wijten aan ge´ntimeerde zelf. Bij gebrek aan naleving van voornoemde wettelijke ver¬plichting, mocht appellante tot zolang haar betalingsverplichting opschorten.

Dit klemt trouwens des te meer, waar ge´ntimeerde in haar appelconclusies benadrukt dat zij het handelsfonds voor vrij en onbelast heeft verkocht, derwijze dat de koper de naleving van deze verbintenis (die de vrijwaring voor aanspraken van derden inhoudt) kan en mag eisen, onder meer door van de verkoper te vragen dat hij, middels de voorlegging van het attest, aantoont dat er geen fiscale schulden van de overdrager aan kleven. In het contract hoeft de aflevering van het certificaat dus niet uitdrukkelijk te zijn bedongen, opdat dit een van de verkoper afdwingbare verbintenis zou zijn.

Dat appellante inmiddels reeds over het handelsfonds had beschikt door het op haar beurt over te dragen aan B.V.B.A. Hotel New Baudouin, doet aan dit alles geen afbreuk, aangezien deze omstandigheid ge´ntimeerde niet van haar verplichtingen ontslaat.

Appellante heeft onmiddellijk na voorlegging van het certificaat (bij fax van 22 oktober 1998) opdracht gegeven aan de notaris, in wiens handen het saldo van de overnamesom geblokkeerd was, om de aan ge´ntimeerde toekomende bedragen door te storten. Dat de afrekening enige tijd in beslag heeft genomen, is onder meer het gevolg van de beslagen door schuldeisers van ge´ntimeerde.

Hoe dan ook treft appellante geen schuld voor de vertraging in de betaling van het saldo van de overnamesom. De vordering van ge´ntimeerde is ongegrond.



OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,

Melding makende van de toepassing van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.


Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende.

Verklaart de vordering van ge´ntimeerde ongegrond.


Verwijst ge´ntimeerde in de kosten van de beide instanties, aan de zijde van appellante vereffend op _ 312,35 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, _ 185,92 rolrecht hoger beroep, _ 55,78 uitgavenvergoeding verzoekschrift en _ 446,21 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.




Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, ÚÚnentwintigste kamer, recht doende in burgerlijke zaken op achtentwintig juni tweeduizend en twee.

Aanwezig :

Dirk Floren, raadsheer, alleenrechtsprekend,
Achiel Ferdinande, griffier.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be