Handelsfonds - beding ten behoeve van een derde


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Hof van Cassatie, 30 maart 2009

Integrale tekst:

Hof van Cassatie van België
Arrest
Nr. C.07.0557.N
1. H.S.,
2. V.M.,
eisers,

tegen
1. O.I.,

2. P.I.,
verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 december 2003 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 11 februari 2009 verwezen naar de derde kamer.
Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL
De eisers voeren in hun verzoekschrift een middel aan.
Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt er deel van uit.

III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling

Eerste en tweede onderdeel

1. De eisers voerden in hun appelconclusie houdende incidenteel beroep aan dat:
- in het voorakkoord van 16 juni 2000 de volgende bepaling werd opgenomen: "De eventuele kosten (...) die kantoor O. kan aanrekenen, vallen volledig ten laste van S.H.";
- in de overname-overeenkomst van 21 november 2000 deze bepaling als volgt werd verwoord: "de eventuele kosten die het kantoor O., door de verkoper aangesteld (als) bemiddelaar bij de verkoop van dit handelsfonds, mogelijkerwijze zou kunnen aanrekenen en geraamd op (...) worden eveneens ten laste genomen door de koper";
- door de eerste rechter terecht werd gesteld dat de bedingen in de overeenkomsten van 16 juni 2000 en 21 november 2000 geenszins als een beding ten behoeve van een derde konden worden beschouwd.
2. De appelrechter oordeelt dat:
- de verweerster op grond van de overeenkomsten van 19 oktober 2000 en 8 november 2000 rechtstreeks kan worden aangesproken door de verweerder;
- de overeenkomsten tussen de eisers en de verweerster van 16 juni 2000 en 21 november 2000 een duidelijk beding ten behoeve van een derde inhouden, waarbij de eisers zich onvoorwaardelijk hebben verbonden;
- de omstandigheid dat de eisers op grond van een beding ten gunste van een derde kunnen worden aangesproken, de verweerster niet bevrijdt ten aanzien van de verweerder;
- nu de eisers ten opzichte van de verweerster de verbintenis hebben opgenomen de kosten van het ereloon van de verweerder te betalen, zij de verweerster dienen te vrijwaren.
3. Door aldus te oordelen geeft de appelrechter, zonder de aangevoerde onduidelijkheid en met redenen die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, te kennen dat de eisers zich zowel op grond van de overeenkomst van 16 juni 2000, als op grond van de overeenkomst van 21 november 2000 ten opzichte van de verweerster hebben verbonden de kosten van het ereloon van de verweerder aan deze laatste te betalen en dan ook gehouden zijn de verweerster, wat de betaling van dit ereloon betreft, te vrijwaren.
Daar de bedingen, waarop dit oordeel steunt, zoals aangehaald in randnummer 1, werden gepreciseerd en weergegeven in de appelconclusie houdende incidenteel beroep van de eisers, zonder dat hierover betwisting werd gevoerd, diende de appelrechter, bij gebrek aan conclusie die hem hiertoe noopte, niet te preciseren op grond van welke bedingen uit deze overeenkomsten hij tot dit oordeel kwam, noch de inhoud ervan weer te geven.
De onderdelen kunnen niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

4. De appelrechter stelt vast dat:
- op 16 juni 2000 een overeenkomst tot stand kwam tussen de verweerster en de eisers, waarin werd bepaald "de eventuele kosten (...) die kantoor O. kan aanrekenen vallen volledig ten laste van S.H.";
- op 21 november 2000 een overeenkomst van overdracht van de handelszaak tot stand kwam tussen de verweerster en de eisers.
5. De appelrechter, die vaststelde dat de overdracht van de handelszaak tot stand kwam ingevolge de overeenkomst van 21 november 2000 en niet ingevolge de overeenkomst van 16 juni 2000, moest niet meer antwoorden op het ingevolge deze vaststelling niet meer dienstig verweer dat de overeenkomst van 16 juni 2000, indien deze werd gesloten voor rekening van de verweerster in persoon, bij gebrek aan voorwerp, nietig was daar de verweerster niet vermocht te beschikken over het handelsfonds.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

6. De beslissing dat de overeenkomst van 21 november 2000 werd gesloten tussen de eisers en de tweede verweerster steunt niet op een eigen uitlegging door de appelrechters van de bewoordingen van de overeenkomst maar op de voor de feitenrechter niet betwiste uitlegging van de overeenkomst.
Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

7. In de door de eisers overgelegde overeenkomst van 16 juni 2000, gesloten tussen de verweerster en de eiser, werd bedongen: "De eventuele kosten (...) die kantoor O. kan aanrekenen vallen volledig ten laste van S.H."
8. De appelrechter, die oordeelt dat de overeenkomst van 16 juni 2000 duidelijk een beding ten behoeve van een derde inhoudt, geeft van deze akte een uitlegging, die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.
Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Zesde onderdeel

9. In zoverre het onderdeel andere grieven aanvoert dan dubbelzinnige motivering van het arrest, wijst het geen wettelijke bepalingen aan die daarop toepasselijk zijn.
10. Voor het overige voert het onderdeel dubbelzinnige motivering van het arrest aan, waarbij het aangeeft dat in de beide uitleggingen de motivering onwettig is.
Dergelijke grief maakt geen schending uit van artikel 149 van de Grondwet.
Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Zevende onderdeel

11. Krachtens artikel 1121 van het Burgerlijk Wetboek, kan men bedingen ten behoeve van een derde, wanneer zulks de voorwaarde is van een beding dat men voor zich zelf maakt of van een schenking die men aan een ander doet.
12. Het feit dat een begunstigde van een beding ten behoeve van een derde een eigen en rechtstreekse vordering tegenover de belover verkrijgt, die ontstaat uit deze afzonderlijke juridische handeling, belet niet dat dit beding er toe kan strekken een voorafbestaande schuld van de bedinger ten aanzien van de derde-begunstigde door de belover te doen vereffenen.
Het onderdeel dat van de tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.


Dictum
Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eisers in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van 942,46 euro jegens de eisende partijen en op de som van 116,64 euro jegens de verwerende partij sub 1.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest Waûters, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 30 maart 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.

Ph. Van Geem K. Mestdagh A. Smetryns
B. Deconinck E. Waûters R. Boes





C.07.0557.N

Advocaat-generaal Mortier heeft in substantie gezegd:


Het zesde en zevende onderdeel houden verband met de draagwijdte en de gevolgen van een "beding ten behoeve van een derde".

Deze rechtsfiguur vindt zijn grondslag in artikel 1121 BW en is een contractuele clausule waarbij één van de contractpartijen (de bedinger of de stipulant) die optreedt in eigen naam (en dus niet als vertegenwoordiger van een derde) de wederpartij (de belover of promettant) een prestatie laat beloven ten gunste van een derde (de begunstigde of beneficiant). Deze derde wordt op die manier schuldeiser van de beloofde prestatie en dit krachtens een overeenkomst waaraan hijzelf niet heeft deelgenomen.

Zoals uw Hof ook oordeelde bij arrest van 14 februari 1980(1), vormt het beding ten behoeve van een derde een wettelijke uitzondering op het algemene principe, zoals verwoord in de artikelen 1119 BW (In het algemeen kan niemand zich verbinden of iets bedingen in zijn eigen naam, dan voor zichzelf) en 1165 BW ( Overeenkomsten brengen alleen gevolgen teweeg tussen de contracterende partijen; zij brengen aan derden geen nadeel toe en strekken hen slechts tot voordeel in het geval voorzien in artikel 1121BW).

Het beding ten behoeve van een derde doet dus een drie-partijen relatie ontstaan.

De hoofdovereenkomst tussen stipulant en belover wordt de dekkingsverhouding genoemd. Het is op deze voorafgaande rechtsverhouding dat het recht van de begunstigde derde geënt is. De reden waarom de stipulant aan de belover een beding ten gunste van een derde stipuleert is te vinden in de rechtsverhouding tussen stipulant en de derde. Deze rechtsverhouding wordt de valutaverhouding genoemd. Ze verduidelijkt waarom de stipulant de derde wou begunstigen. Dit kan in het bijzonder het geval zijn wanneer de stipulant de derde iets verschuldigd was (solvendi causa). Het beding kan dus betrekking hebben op een schuld die de stipulant voorafgaandelijk had ten opzichte van de derde begunstigde.

De derde verkrijgt een eigen rechtstreeks recht uit de overeenkomst tussen stipulant en belover en kan dit recht door middel van een rechtstreekse vordering uitoefenen ten opzichte van de belover.(2)

Dit belet evenwel niet dat de belover ertoe kan gehouden zijn de stipulant te vrijwaren, wanneer die zou aangeproken worden wanneer het beding betrekking heeft op een voorafbestaande schuld van de stipulant ten opzichte van de derde.

Uw Hof heeft bij arrest van 12 mei 1972(3) geoordeeld dat het bestaan van een beding ten behoeve van een ander wettelijk wordt vastgesteld door de rechter die erop wijst dat een partij bij een overeenkomst ten behoeve van een derde heeft bedongen en dat een andere partij zich jegens deze derde persoonlijk heeft verbonden.

Het zesde en het zevende onderdeel gaan mijns inziens uit van een verkeerde rechtsopvatting. Het beding ten behoeve van een derde staat er immers niet aan in de weg dat de belover ook tot vrijwaring kan gehouden zijn ten opzichte van de stipulant, wanneer de belofte betrekking heeft op een voorafbestaande schuld van de stipulant ten opzichte van de derde.

Conclusie: VERWERPING

ARREST

_________
(1) Cass., 14 februari 1980, A.C. 1979-1980, nr.370.
(2) Van Gerven en Covemaeker, Verbintenissenrecht, Acco, Leuven, 2001, 146-148.
(3) Cass., 12 mei 1972, A.C. 1972, p. 849-850.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be