Geldigheid dading aangaande onverdeeldheid


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Gent 2 oktober 2008

Samenvatting: Overeenkomstig art. 2054 B.W. kan een dading nietig worden verklaard bij gebrek aan oorzaak. Dit betreft enkel een bijzondere toepassing van het art. 1131 B.W. dat bepaalt dat een verbintenis aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak geen (rechts)gevolg kan hebben. De oorzaak dient begrepen te worden als de doorslaggevende beweegreden die een partij ertoe heeft aangezet om in te stemmen met een dadingovereenkomst. Indien de voorgehouden determinerende beweegreden niet expliciet of impliciet wordt uitgedrukt in de overeenkomst zelf, kan deze doorslaggevende beweegreden - ten behoeve van het waarborgen van de rechtzekerheid -, slechts worden geacht welkdanig onderdeel uit te maken van de dadingovereenkomst voor zover deze in de contractuele sfeer tussen partijen getreden is, hetgeen veronderstelt dat alle partijen daarvan kennis hadden en die beweegreden ook aanvaard hebben als bestanddeel van de overeenkomst.

Volledige tekst:
1. S.F.,

2. S.M.,

3. S.G.,

appellanten,

tegen :


S.Y.,

ge´ntimeerde,


velt het hof het volgend arrest:

De appellanten hebben bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 juni 2003, bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie, tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het op 20 november 2002 uitgesproken vonnis van de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

Het bestreden vonnis heeft ondermeer, alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpend als ongegrond, niet ter zake dienend of overbodig:

- de hoofdvordering van de appellanten ontvankelijk doch ongegrond verklaard;
- de tegenvordering van de ge´ntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en, mitsdien:

· de dadingovereenkomst van 3 november 2002 nietig verklaard;
· bevolen dat er zal worden overgegaan tot de gerechtelijke verdeling van de nalatenschappen van wijlen I.H., overleden op ..., en van wijlen A.S., overleden te ... op ..., en de partijen daartoe verzonden naar notaris Francis Blontrock, met kantoor te 8000 Brugge, Duinenabdijstraat 13, alsmede notaris Bart Vandeputte, met kantoor te 8000 Brugge, aan de Spiegelrei 17, aangesteld om overeenkomstig art. 1209 Ger.W., de niet- verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen en in hun plaats de akten en processen-verbaal te ondertekenen;

- de appellanten veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding, aan hun zijde niet te begroten vermits die hen te laste blijven, en aan de zijde van de ge´ntimeerde begroot op 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding;
- het gewezen vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder enige borgstelling.

Bij hun beroepsakte en daaropvolgende conclusies hebben de appellanten het teniet doen van het bestreden vonnis nagestreefd, waarbij zij vorderden dat het hof, dienaangaande opnieuw beslissend:

- de ge´ntimeerde zou veroordelen tot het uitvoeren van de dadingovereenkomst van 3 november 2000 binnen de 48 uur na betekening van het tussengekomen arrest, dit onder verbeurte van een dwangsom van 2.478,94 EUR per dag vertraging vanaf de betekening van het tussen te komen arrest tot de dag van de integrale uitvoering ervan;
- de ge´ntimeerde zou zeggen voor recht dat, bij gebreke aan uitvoering van de dadingovereenkomst van 3 november 2000 door haar binnen de maand na betekening van het tussengekomen arrest, dit arrest zal gelden als volledige instemming door ge´ntimeerde met de ondertekening van de akte overdracht van erfrechten;
- de ge´ntimeerde zou veroordelen om te verschijnen voor notaris Jean-Louis Sabbe te Blankenberge om de akte afstand van erfrechten, zoals beschreven in de overeenkomst van 3 november 2000, te verlijden volgens het bij de inleidende dagvaarding betekend ontwerp, dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van 2.478,94 EUR per dag vertraging nadat 24 uren verstreken zullen zijn na de betekening van de tussen te komen uitspraak;
- hiertoe een notaris zou benoemen, met last de ge´ntimeerde te vertegenwoordigen, en in haar plaats de akten en processen - verbaal te ondertekenen, en die bevoegd is de toewijzingen en andere schuldvorderingen in kapitaal en toebehoren te ontvangen, kwijting ervan te geven met of zonder indeplaatsstelling, en, ten gevolge van deze betalingen, opheffing te verlenen van elke overschrijving van bevel of beslag, alsmede van elk verzet indien daartoe grond bestaat.

Tenslotte vorderden de appellanten de veroordeling van de ge´ntimeerde tot betaling van de kosten van beide instanties, aan hun zijde nader begroot.

Bij haar op 27 maart 2007 ter griffie neergelegde syntheseconclusies besloot de ge´ntimeerde tot de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond en tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

Tevens breidde zij in de huidige instantie haar oorspronkelijke tegenvordering uit, en vorderde tevens dat:

- de door de eerste rechter aangestelde boedelnotaris opdracht zou worden gegeven tot licitatie van de woning met tuin en bouwgrond gelegen te ... en ..., gekadastreerd eerste sektie C nrs.482, 483, 484 en 485;
- een notaris zou worden aangesteld uit het arrondissement Antwerpen, met opdracht het appartement te ..., te liciteren, en te voorzien in de aanstelling van een tweede notaris om de eventueel weerstrevende partijen te vertegenwoordigen.

Tenslotte besloot de ge´ntimeerde ook tot de verwijzing van de appellanten in de kosten van de beide instanties, aan haar zijde nader bepaald.

Op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

B E O O R D E L I N G

1. De feitelijke en procedurevoorgaanden, alsmede de respectieve standpunten en vorderingen van de partijen werden door de eerste rechter uitvoerig toegelicht op p. 2 tot en met 6 van het bestreden vonnis. Het volstaat thans om daarnaar te verwijzen.

2. Overeenkomstig art. 888, al.1. B.W. kan een vordering tot nietigverklaring, op de gronden aangeduid in art. 887 B.W. (onder meer benadeling van meer dan ÚÚn vierde), worden toegelaten tegen elke handeling die ten doel heeft de onverdeeldheid onder mede-erfgenamen (hetgeen niet noodzakelijk betekent onder alle mede-erfgenamen) te doen ophouden, zelfs al mocht die handeling door de partijen koop, ruil en dading genoemd zijn.

Op juiste gronden heeft de eerste rechter op p. 6 en 7 van het bestreden vonnis de door de partijen opgestelde en ondertekende overeenkomst van 3 november 2000 (stavingstuk 9 van de ge´ntimeerde) bestempeld als een dading in de zin van art. 2044 B.W.. Daarenboven bepaalt art. 2052 B.W. dat dadingen niet kunnen worden vernietigd wegens benadeling.

De vraag rijst derhalve of in het licht van het bestaan van de dadingovereenkomst van 3 november 2000 - het de ge´ntimeerde al dan niet toegelaten is op te komen tegen de dading tot regeling van de kwestieuze nalatenschappen tussen haar en de appellanten op grond van benadeling voor meer dan ÚÚn vierde.

Het antwoord op de vraag of er nog een vordering van vernietiging kan worden ingesteld tegen een dadingsovereenkomst die een verdeling inhoudt, heeft rechtspraak en rechtsleer reeds twee eeuwen verdeeld gehouden in functie van de strikte dan wel ruime interpretatie die wordt gegeven aan het art. 888 al.1. B.W..

3. Naar het oordeel van het hof hebben de partijen wel degelijk op 3 november 2000 een reŰle en niet enkel een als dusdanig genoemde dading afgesloten wat betreft de tussen hen bestaande of te rijzen belangrijke geschilpunten met betrekking tot de respectieve nalatenschappen van hun overleden ouders, inzonderheid gelet op de omstandigheid dat het expertiseverslag van Dany Van Impe van 25 september 2000 besloot met de vaststelling dat de ge´ntimeerde geen goede verklaring kon geven over de bestemming van 1.030.663,14 EUR (41.576.848 BEF) in geld en effecten, afkomstig van het kapitaal van wijlen haar ouders.

Over de intentie van de partijen bij het opstellen en ondertekenen van de dadingovereenkomst van 3 november 2000 kan er geen twijfel bestaan.

In de aanhef tot de dadingovereenkomst wordt immers vooreerst expliciet als toelichting verwezen naar die feitelijke omstandigheid, waardoor volgt dat die derhalve duidelijk tot stand gekomen is als gevolg van een duidelijk omlijnd probleem, waarbij de partijen door het doen van wederzijdse toegevingen een oplossing hebben gezocht voor het bestaand dan wel te rijzen geschil tussen de appellanten enerzijds en de ge´ntimeerde anderzijds met betrekking tot de verdeling van de nalatenschappen van hun overleden ouders.

Er kan daarenboven niet ernstig worden betwist dat er wederzijdse toegevingen hebben plaatsgevonden. In de dadingovereenkomst zelf werd overeengekomen dat enerzijds de ge´ntimeerde onherroepelijk afstand doet van al haar erfrechten aan de appellanten, elk voor ÚÚn derde, terwijl anderzijds de appellanten onder meer onherroepelijk verzaken aan elke vordering lastens de ge´ntimeerde betreffende diens beheer over het ouderlijk vermogen.

Door deze wederkerige afstand en dading verklaarden de partijen aan de dadingovereenkomst de tussen hen ontstane betwistingen en geschillen te hebben beŰindigd en tevens dat ‘Onderhavige overeenkomst ... een forfaitaire regeling (bevat) die door iedere partij op eigen risico wordt toegestaan en aanvaard, na daartoe terdege te zijn ingelicht door notaris Jean-Louis Sabbe te Blankenberge'.
Dergelijke reŰle dadingsovereenkomst kan niet meer worden aangevochten.

Er anders over beslissen zou inhouden dat een dadingovereenkomst inzake verdelingen nooit enig gevolg kan hebben en als het ware verboden is. Het is maatschappelijk niet aanvaardbaar dat ook interfamiliale meningsverschillen en conflicten inzake verdelingen niet door een dading hetzij vermeden hetzij opgelost zouden kunnen worden teneinde een rechtsgeding te vermijden.

Anders dan de eerste rechter heeft beslist is het hof derhalve van oordeel dat het de ge´ntimeerde niet toegelaten is de door haar aangegane dadingoverkomst van 3 november 2000 aan te vechten op grond van art. 887 en 888 B.W.

4.1. De ge´ntimeerde kan evenmin worden gevolgd waar zij voorhoudt dat de dadingovereenkomst met geweld en bedrog vanwege de appellanten tot stand is gekomen, en derhalve in elk geval op die gronden moet worden nietig verklaard.

Overeenkomstig art. 2053, tweede lid B.W. kan een dading worden vernietigd in alle gevallen waarin bedrog of geweld in hoofde van ÚÚn van de partijen werd gepleegd.

Het bewijs daarvan dient te worden geleverd door degene die deze gebreken aan de vrije toestemming opwerpt.

Dienaangaande beweert de ge´ntimeerde echter veel doch bewijst weinig of niets. Door geen enkel element, intrinsiek of extrinsiek aan de dadingovereenkomst van 3 november 2000 wordt immers aangetoond dat de appellanten de ge´ntimeerde toen op onrechtmatige wijze onder een dermate grote emotionele of psychische druk hebben gezet dat die feiten determinerend zijn geweest voor haar toestemming, en/of dat de appellanten welkdanige kunstgrepen of listen hebben aangewend om de ge´ntimeerde op grond van een verkeerde voorstelling van zaken te bewegen tot het aangaan van de dadingovereenkomst.

Het is niet omdat de appellanten bevestigen dat de ge´ntimeerde ten tijde van het ondertekenen van de dading overstuur was, buiten de woning van notaris Jean-Louis Sabbe te Blankenberge op adem moest komen en precies in shock verkeerde, dat dit noodzakelijkerwijze wijst op geweld en bedrog in hoofde van de appellanten en/of de notaris.

Een dergelijk ongesteldheid van de toen 71 -jarige ge´ntimeerde is immers denkbaar in meer dan ÚÚn scenario, nu toch niet kan worden uitgesloten dat ÚÚn en ander inderdaad het gevolg was van de eigen driftbuien welke zij volgens de appellanten ventileerde omdat er vragen werden gesteld over haar beheer.

Waar notaris Lucas Vandenborre te Knokke - Heist in zijn schrijven van 28 december 2000 beweerd heeft dat de ge´ntimeerde psychisch enorm onder druk werd gesteld en door de appellanten gedwongen werd om de dading te ondertekenen, waarbij zij geen inzicht had in de gevolgen en de betekenis ervan, wordt dit in een daaropvolgend antwoordschrijven van 19 februari 2001 echter formeel ontkend door notaris Jean-Louis Sabbe uit Blankenberge, die - in tegenstelling tot de eerstgenoemde notaris - aanwezig geweest is bij het totstandkomen en de ondertekening van de overeenkomst van 3 november 2000.

Daarenboven komt het naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig voor - gelet op de leeftijd en de te verwachten ontwikkeling van de ge´ntimeerde volgens haar familiale achtergrond - dat deze de betekenis, draagwijdte en gevolgen niet zou hebben begrepen van de toch in tamelijk eenvoudige bewoordingen opgestelde overeenkomst en dading van 3 november 2000, waarbij onder meer de ge´ntimeerde onherroepelijk afstand heeft gedaan van al haar erfrechten in de nalatenschappen van haar ouders ten voordele van de appellanten, elk voor ÚÚn derde, terwijl de appellanten anderzijds onherroepelijk hebben verklaard te verzaken aan elke vordering betreffende het voorbije beheer door de ge´ntimeerde uitgeoefend over het ouderlijk kapitaal.

4.2. Overeenkomstig art. 2054 B.W. kan een dading eveneens nietig worden verklaard bij gebrek aan oorzaak. Dit betreft enkel een bijzondere toepassing van het art. 1131 B.W. dat bepaalt dat een verbintenis aangegaan zonder oorzaak of uit een valse oorzaak geen (rechts)gevolg kan hebben.

Naar het oordeel van het hof bestaat er geen twijfel dat de dadingovereenkomst van 3 november 2000 wel degelijk een oorzaak heeft, die trouwens duidelijk kan worden afgeleid uit verschillende bepalingen in hun onderlinge samenhang van de overeenkomst zelf.

Door wederzijdse toegevingen hebben de partijen een einde willen stellen aan bestaande of nog te ontstane geschillen tussen hen met betrekking tot de verdeling van de respectieve nalatenschappen van hun overleden ouders in het licht van het expertiseverslag van Dany Van Impe van 25 september 2000, dat besloot met de vaststelling dat de ge´ntimeerde geen goede verklaring kon geven over de bestemming van 1.030.663,14 EUR (41.576.848 BEF) in geld en effecten, afkomstig van het kapitaal van wijlen haar ouders.

De ge´ntimeerde poogt te dezen ten onrechte een tweeledig onderscheid aan het begrip oorzaak in hare hoofde te doen aanvaarden.


Enerzijds de objectieve en juridisch-technische oorzaak die expliciet wordt uitgedrukt in de dadingovereenkomst zelf, en anderzijds de subjectieve beweegreden die haar zou bewogen hebben om de contracteren.

De ge´ntimeerde merkt weliswaar terecht op dat de oorzaak dient begrepen te worden als de doorslaggevende beweegreden die een partij ertoe heeft aangezet om in te stemmen met een dadingovereenkomst, doch verliest tezelfdertijd uit het oog dat indien de voorgehouden determinerende beweegreden niet expliciet of impliciet wordt uitgedrukt in de overeenkomst zelf, deze doorslaggevende beweegreden - ten behoeve van het waarborgen van de rechtzekerheid -, slechts kan worden geacht welkdanig onderdeel uit te maken van de dadingovereenkomst voor zover deze in de contractuele sfeer tussen partijen getreden is, hetgeen veronderstelt dat alle partijen daarvan kennis hadden en die beweegreden ook aanvaard hebben als bestanddeel van de overeenkomst.

Abstractie makend van het antwoord op de vraag of de ge´ntimeerde na het voeren van ruim twintig jaar beheer over het kapitaal van haar thans overleden ouders, al dan niet nog door de appellanten in rechte kon worden aangesproken om rekening en verantwoording af te leggen over dat beheer, kan het hof uit de overgelegde stavingstukken en de behandeling van de zaak ter terechtzitting zeker niet het positief bewijs afleiden dat appellanten eertijds wisten of zelfs hadden dienen te weten dat de ge´ntimeerde louter heeft ingestemd met de dadingovereenkomst van 3 november 2000, omdat zij in de overtuiging was wel degelijk over haar beheer nog rekenschap te moeten afleggen, terwijl zij tegelijkertijd van mening was daar materieel niet toe in staat te zijn.

De omstandigheid dat de ge´ntimeerde achteraf, na haar raadsman en een notaris te hebben geraadpleegd heeft willen terugkomen op de door haar ondertekende dadingovereenkomst van 3 november 2000 en dat zij van mening is dat de bevindingen van accountant Dany Van Impe volledig worden weerlegd door een onderzoek die op haar vraag in 2002 door boekhouder Hans Missine werd uitgevoerd, vermag hier niets aan te veranderen.

5. Besluit:

De ge´ntimeerde blijft gebonden door de bepalingen van de op 3 november 2000 tussen de partijen overeengekomen en medeondertekende dadingovereenkomst die haar te goeder trouw moet worden uitgevoerd.

De oorspronkelijke vordering van de appellanten is derhalve in de hierna bepaalde mate gegrond. Er bestaat geen aanleiding om haar welkdanige dwangsom op te leggen, aangezien enerzijds uit niets blijkt dat de ge´ntimeerde de beslissing van het hof niet zal nakomen, en anderzijds de aanwijzing van een notaris belast met de bevoegdheden bedoeld in art. 1209, derde lid Ger.W. te dezen volstaat om de rechten van de appellanten te vrijwaren.

Gelet op het vorenstaande is de thans in de huidige instantie uitgebreide tegenvordering evident niet gegrond.

6. Als verliezende partij dient de ge´ntimeerde de kosten te dragen van het geding in de beide instanties.

Op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008 hebben de appellanten met betrekking tot de aan hun zijde gevallen kosten verwezen naar de een staat vermeld op het einde van hun op 28 december 2007 ter griffie neergelegde syntheseconclusies.

In deze instantie vragen de appellanten een rechtsplegingsvergoeding waarvan het bedrag hoger ligt dan het toepasselijk basisbedrag voor niet in geld waardeerbare geschillen, nl. 5.000 EUR.

Naar het oordeel van het hof kan aan de appellanten echter slechts het basisbedrag worden toegekend.

Het feit dat de ge´ntimeerde na 3 november 2000 gemeend heeft - gelet op de controverse die bestaat in rechtsleer en rechtsspraak over de interpretatie van art. 888, al. 1 B.W. - geen vrijwillige uitvoering te moeten geven aan de dadingovereenkomst van 3 november 2000, zodat de appellanten de bevestiging van hun aanspraken reeds gedurende ruim acht jaar in rechte hebben moeten opvorderen, kan bezwaarlijk worden bestempeld als lichtzinnigheid of kwade trouw, des te meer daar zelfs de eerste rechter de hoofdvordering van de appellanten ongegrond en de tegeneis van de ge´ntimeerde gegrond heeft verklaard. Daarenboven kan ook niet weerhouden worden dat zich in huidig geding hetzij in feite hetzij in rechte problemen hebben voorgedaan die hetzij een uitzonderlijke moeilijkheidsgraad vertoonden, hetzij een uitzonderlijke werklast meebrachten.

In de gegeven omstandigheden kunnen de appellanten in deze instantie dan ook slechts aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding beperkt tot het basisbedrag voor niet in geld waardeerbare geschillen.


OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;


Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet.

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellanten als volgt gegrond.

Verklaart de tegenvordering van de ge´ntimeerde zoals uitgebreid in de huidige instantie niet gegrond.

Zegt dat de ge´ntimeerde gehouden is de dadingovereenkomst van 3 november 2000 uit te voeren door binnen de maand na betekening van het huidig arrest te verschijnen voor notaris Jean-Louis Sabbe, met standplaats te 8370 Blankenberge, aan de Koning Albert I laan 47, op plaats, dag en uur haar - ten minste 7 kalenderdagen vooraf aangetekend medegedeeld door diens studie, teneinde de akte afstand van erfrechten, zoals nader bepaald in de voornoemde overeenkomst van 3 november 2000 te laten verlijden.

Verstaat dat voor zover de ge´ntimeerde niet verschijnt of weigert de akte afstand van erfrechten opgesteld conform aan de overeenkomst van 3 november 2000 te ondertekenen, zij zal worden vertegenwoordigd door notaris Philippe Strypsteen, met standplaats te 8300 Knokke - Heist aan de Burg. Frans Desmidtplein 3/1 die wordt belast met de bevoegdheden bedoeld in art. 1209, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Verwerpt het anders of meer gevorderde.

Veroordeelt de ge´ntimeerde tot betaling van de kosten van de beide instanties en begroot die aan de zijde van de appellanten volgens opgegeven staat op 228,29 EUR dagvaardingskosten in eerste aanleg en 186,00 EUR rolrechten in hoger beroep, alsmede een rechtsplegingsvergoeding in deze instantie van 1.200 EUR.



Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit:
Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter,
Nadia De Turck, raadsheer,
Kristin Vandenberghe, raadsheer,
en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 2 oktober 2008, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be