Gebrekkige uitvoering - werken door derden


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Cass. 2 mei 2002

Samenvatting: De regel dat de ontbinding van een wederkerige overeenkomst wegens wanprestatie in rechte moet worden gevorderd belet niet dat een contractpartij bij een wederkerige overeenkomst, op eigen gezag en op eigen risico, beslist haar verbintenissen niet meer uit te voeren en kennis geeft aan de wederpartij dat zij de overeenkomst als beŽindigd beschouwt en verlangt dat de oorspronkelijke toestand zou worden hersteld; bij het beoordelen van de gevolgen van de ontbinding en van de rechten die de partijen kunnen laten gelden vermag de rechter die over de gerechtelijke ontbinding beslist, te oordelen dat, gelet op de wanprestatie van haar wederpartij, de contractpartij geen fout heeft begaan door eenzijdig de overeenkomst als beŽindigd te beschouwen.

Integrale tekst:

Nr. C.01.0185.N
CARTOFLEX, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te 9040 Gent, Nijverheidskaai 3A,
eiseres,

tegen

D.L., wonende te
verweerster,

I. Bestreden uitspraak

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 18 december 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Guido Bresseleers heeft geconcludeerd.

III. Feiten

Blijkens het arrest kunnen de feiten als volgt worden samengevat :
- op 13 april 1994 bezorgt de aannemer aan de bouwheer een offerte voor de levering en plaatsing van een veranda;
- op 23 april 1994 ondertekent de bouwheer een bestelbon die verwijst - mits een wijziging - naar deze offerte;
- op 1 juli 1994 wordt de veranda geleverd;
- de bouwheer verzet zich tegen de plaatsing omdat de maten niet overeenkwamen met de prijsofferte, er een grote barst in het hout was vastgesteld en het vaste zijstuk te dun was; de aannemer werd hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht op 6 juli 1994;
- op 7 juli 1994 bevestigt de bouwheer schriftelijk aan de aannemer dat de aannemer na een gesprek op 6 juli 1994 besloot om de veranda toch te plaatsen op eigen risico; vermits geen van beide gebreken opgelost waren, eiste de bouwheer een prijsvermindering; vermits er in de toekomst problemen werden verwacht van binnendringend water, stelde de bouwheer voor om voor alle zekerheid 20 tot 40 pct. van de globale som te houden voor een controleperiode van twee tot drie maand;
- op 11 juli 1994 antwoordt de aannemer dat hij niet akkoord gaat : hij eist betaling van het voorschot van 60 pct.;
- op 14 juli 1994 schrijft de raadsman van de bouwheer aan de aannemer: de veranda vertoont talrijke gebreken en er wordt aangedrongen op een vergadering;
- deze vergadering gaat door op 31 augustus 1994; van die vergadering wordt een verslag opgesteld door architect B. op 1 september 1994;
- op 9 september 1994 antwoordt de aannemer op het verslag van de architect;
- op 22 september 1994 repliceert de architect en besluit : "Globaal genomen heeft de aannemer niet voldoende argumenten om een goed afgewerkt product af te leveren. Enkel indien hij rekening wil houden met hogergenoemde opmerkingen kan ik adviseren om met dezelfde aannemer de werken verder te zetten. Ik kan geenszins adviseren hem toe te laten de veranda af te werken op basis van de door hem gegeven argumentatie".
De gerechtsdeskundige kwam onder meer tot volgende besluiten :
- de veranda is totaal waardeloos en moet volledig gedemonteerd worden; bovendien moeten de nodige herstellingen aan de oorspronkelijke toestand worden uitgevoerd (het metselwerk boven het raam aan de achtergevel moet hersteld worden, het terras moet plaatselijk hersteld;
- de aannemer heeft geen degelijke herstelvoorstellen geformuleerd, hoewel hij daartoe de kans kreeg;
- de demontage en het afvoeren van de werf wordt begroot op 30.000 BEF; het herstellen van de latei en het terras wordt begroot op 35.000 BEF.
Na deskundigenonderzoek, werd de aannemer door de bouwheer in gebreke gesteld om te laten weten of hij zelf zou overgaan tot demontage, afvoeren en herstellen, en op 25 mei 1995 werd hij aangemaand om de kostprijs voor demontage en afvoeren, evenals voor herstelling, zoals begroot door de gerechtsdeskundige, te betalen.
(...) De bouwheer liet in september 1995 overgaan tot afbraak door een derde aannemer (die deze afbraak, afvoer en herstelling factureerde op 2 oktober 1995 voor 56.826 BEF).
IV. Middel
Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1183, 1184, 1146, 1143, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 962 en 986 van het Gerechtelijk Wetboek;
- het uit laatstgenoemde bepalingen afgeleide principe dat een deskundigenverslag geen vonnis uitmaakt.
Aangevochten beslissingen
Het hof van beroep oordeelde in de bestreden beslissing, na te hebben vastgesteld dat eiseres op 1 juli 1994 een veranda leverde bij verweerster, dat verweerster eiseres een gebrekkige uitvoering van het werk verweet, dat zij desbetreffend een zaak aanhangig maakte bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, die bij tussenvonnis van 14 november 1994 een deskundigenonderzoek beval, op grond van volgende motivering oordeelde dat verweerster gerechtigd was om in september 1995, dat wil zeggen voor de eindbeslissing van de eerste rechter, gewezen op 27 juli 1997, door een derde aannemer te doen overgaan tot demontage, afvoer en herstelling, en verklaarde op grond hiervan het hoger beroep van verweerster gegrond :
" dat (eiseres) vaststelt dat (verweerster) de uitvoering in natura door (eiseres) (dit wil zeggen demontage, afvoer en herstelling) onmogelijk heeft gemaakt.
(...) dat dit niet overeenstemt met de werkelijke, feitelijke toedracht.
Dat de deskundige voorstelde dat tot demontage, afvoer en herstelling moest worden overgegaan; dat hij voorstelde dat dit best door (eiseres) zou worden gedaan; dat hij tevens voorstelde om, indien (eiseres) dit niet zou doen, de kosten voor demontage, afvoer en herstelling te begroten op een totaal bedrag van 65.000 BEF.
(...) Dat (verweerster) (eiseres) in gebreke heeft gesteld om, in navolging van het deskundigenverslag, over te gaan tot demontage, afvoer en herstelling, dat (eiseres) hierop niet is ingegaan en zelfs niet gereageerd heeft op deze duidelijke en ondubbelzinnige ingebrekestelling.
Dat (verweerster) op een duidelijke en ondubbelzinnige wijze aan (eiseres) kenbaar heeft gemaakt dat de demontage, afvoer en herstelling door een derde zouden worden uitgevoerd, gelet op het gebrek aan uitvoering door (eiseres).
Dat (eiseres) op dat ogenblik nog altijd niet reageerde".
Het hof van beroep verklaarde vervolgens de tegenvordering van eiseres tot het bekomen van schadevergoeding, gesteund op het ont-nemen van de mogelijkheid om de geleverde materialen te recupereren, ongegrond op grond van het feit dat de onmogelijkheid om de geleverde materialen te recupereren enkel en uitsluitend te wijten is aan eiseres, die niettegenstaande daartoe in gebreke te zijn gesteld, nagelaten heeft tot demontage over te gaan, en op grond van het feit dat gelet op het deskundigenonderzoek, waarin de veranda als totaal waardeloos werd omschreven, gelet op het tijdsverloop en gelet op de eigen fout van de aannemer, de aan verweerster toerekenbare schade niet bewezen is.

Grieven

1.1. Eerste onderdeel

Het hof van beroep kon niet wettig oordelen dat verweerster in die omstandigheden gerechtigd was om door een derde aannemer te doen overgaan tot demontage, afvoer en herstelling.
Uit de artikelen 1183 en 1184 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de ontbinding van een overeenkomst enkel door de rechter kan worden bevolen en dat de gevolgen van de ontbinding slechts kunnen ontstaan nadat een rechterlijke beslissing is tussengekomen.
De ontbinding van een overeenkomst wegens wanprestatie heeft als gevolgen dat hetgeen reeds werd betaald moet worden teruggegeven, dat zo mogelijk de vorige toestand zal moeten worden hersteld en dat men eventueel gerechtigd is op schadevergoeding, daar de ontbinding van een overeenkomst op grond van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek in principe "ex tunc" geschiedt.
Het herstel in de vorige toestand kan echter pas plaatshebben nadat de ontbinding van de overeenkomst is uitgesproken.
Ook artikel 1143 van het Burgerlijk Wetboek, waarin wordt bepaald dat de schuldeiser het recht heeft de vernietiging te vorderen van hetgeen in strijd met de verbintenis verricht is en dat hij zich kan doen machtigen om het te vernietigen op kosten van de schuldenaar, onverminderd schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat, vereist principieel de tussenkomst van een rechter.
Het hof van beroep kon aldus, om te oordelen dat verweerster gerechtigd was om door een derde aannemer te doen overgaan tot demontage, afvoer en herstelling, onmogelijk rekening houden met de ingebrekestellingen van verweerster teneinde de plaats waar eiseres de veranda had opgetrokken in haar oorspronkelijke toestand te herstellen, daar op dat ogenblik nog geen rechterlijke beslissing inzake de ontbinding van de overeenkomst was tussengekomen.
Het hof van beroep stelt vast dat door de eerste rechter een deskundigenonderzoek werd bevolen bij tussenvonnis van 14 november 1994, dat het verslag werd ingediend op 7 april 1995, dat de bouwheer vervolgens eiseres in gebreke stelde en dat de bouwheer uiteindelijk in september 1995 liet overgaan tot afbraak door een derde aannemer.
Uit artikel 1146 volgt bovendien dat een ingebrekestelling veronderstelt dat de schuldenaar gehouden is een verbintenis na te komen.
Meer bepaald, een ingebrekestelling om aan bepaalde verplichtingen te voldoen, terwijl deze verplichtingen nog niet vaststaan, kan geen rechtsgevolgen hebben, alleszins niet die gevolgen die het hof van beroep eraan koppelt.
Zolang de ontbinding niet was uitgesproken door de rechtbank, had eiseres bijgevolg niet de verplichting, en dienvolgens verweerster niet het recht om het herstel in de vorige toestand te eisen, ongeacht wat het deskundigenverslag ter zake stelde.
Hieruit volgt dat het arrest het hoger beroep van verweerster niet wettig gegrond en de tegenvordering van eiseres niet wettig ongegrond kon verklaren (schending van de artikelen 1183, 1184, 1146 en 1143 van het Burgerlijk Wetboek).

1.2. Tweede onderdeel

De motivering van het arrest heeft, alleszins impliciet doch onmiskenbaar, het principe geschonden dat een deskundigenonderzoek geen vonnis uitmaakt.
Het hof van beroep, door vooreerst vast te stellen dat de deskundige had voorgesteld indien eiseres niet tot demontage, afvoer en herstelling zou overgaan, deze kosten te begroten op 65.000 BEF, en vervolgens te stellen dat eiseres niet had gereageerd op de ingebrekestelling door verweerster om in navolging van het deskundigenverslag over te gaan tot demontage, afvoer en herstelling, koppelt aan het verslag van de deskundige rechtsgevolgen die slechts aan een uitvoerbaar vonnis mogen worden gekoppeld.
Hieruit volgt dat het arrest de artikelen 962 en 986 van het Gerechtelijk Wetboek en het uit deze bepalingen afgeleide principe dat een deskundigenverslag geen vonnis uitmaakt, heeft geschonden.

1.3. Derde onderdeel

In zoverre het hof van beroep eiseres' vordering in schadevergoeding wegens het niet kunnen recupereren van de materialen zou hebben afgewezen omdat geen schade werd bewezen nu in het deskundigenverslag "de veranda als totaal waardeloos werd omschreven", en aldus zou hebben geoordeeld dat, in navolging van de deskundige, de door eiseres gebruikte materialen, die zij wenste te recupereren, waardeloos zouden zijn, miskent het hof de bewijskracht verbonden aan het deskundigenverslag.
Het deskundigenverslag bepaalt immers slechts dat "de veranda - zoals nu gedeeltelijk gemonteerd, zonder de minste technische visie - totaal waardeloos (is)" (eindrapport, p. 3, punt 2).
De deskundige geeft aldus slechts aan dat de constructie, zoals hij ze aantrof, niet volgens de regels van de kunst was geplaatst, en derhalve "waardeloos" was, doch geeft geenszins te kennen door deze overweging, noch door enige andere bevinding, dat de gebruikte materialen waardeloos waren.
Hieruit volgt dat het hof van beroep de bewijskracht van het deskundigen-verslag miskent (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek), en dienvolgens niet wettig eiseres' vordering in schadevergoeding kan afwijzen (schending van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek).

V. Beslissing van het Hof

1. Eerste onderdeel

Overwegende dat, krachtens artikel 1184, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, de ontbinding van een wederkerige overeenkomst wegens wanprestatie in rechte moet worden gevorderd;
Dat die regel ertoe strekt bij afwezigheid van een uitdrukkelijk ontbindend beding in het belang van de rechtszekerheid en de billijkheid de ontbinding te onderwerpen aan de toetsing door de rechter;
Overwegende dat die regel er niet aan in de weg staat dat een contractpartij in een wederkerige overeenkomst, op eigen gezag en op eigen risico beslist haar verbintenissen niet meer uit te voeren en kennis geeft aan de wederpartij dat zij de overeenkomst als beŽindigd beschouwt en verlangt dat de oorspronkelijke toestand zou worden hersteld;
Dat de beoordeling van de rechtmatigheid van deze eenzijdige beslissing aan de rechter wordt onderworpen bij een latere vordering tot gerechtelijke ontbinding; dat de rechter die over de gerechtelijke ontbinding beslist, bij het beoordelen van de gevolgen van die ontbinding en van de rechten die de beide partijen kunnen laten gelden, vermag te oordelen dat gelet op de wanprestatie van haar wederpartij, de contractspartij geen fout heeft begaan door eenzijdig de overeenkomst als beŽindigd te beschouwen;
Overwegende dat de appŤlrechter de aannemingsovereenkomst ontbonden verklaart ten laste van eiseres en bij de bepaling van de respectieve rechten en plichten van de partijen die het gevolg zijn van die ontbinding oordeelt dat verweerster niet onrechtmatig heeft gehandeld door het herstel te vragen in de vorige toestand maar integendeel gelet op de omstandigheden recht had deze maatregel buitengerechtelijk te verlangen van haar medecontractant;
Dat hij zodoende de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen niet schendt;
Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

2. Tweede onderdeel

Overwegende dat het onderdeel niet preciseert hoe en waardoor het arrest de artikelen 962 en 986 van het Gerechtelijk Wetboek heeft geschonden;
Dat het onderdeel wegens onnauwkeurigheid niet ontvankelijk is;

3. Derde onderdeel

Overwegende dat het onderdeel aanvoert dat de appŤlrechter heeft geoordeeld dat de voor de veranda gebruikte materialen waardeloos zijn;
Dat het arrest dit oordeel niet bevat;
Dat het onderdeel dat berust op een verkeerde lezing van het arrest, mitsdien feitelijke grondslag mist;

OM DIE REDENEN,
HET HOF,

Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiseres in de kosten.
De kosten begroot op de som van vijfhonderd achtentachtig euro tweeŽnzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van honderd vijfentwintig euro eenentwintig cent jegens de verwerende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Ivan Verougstraete, de raadsheren Greta Bourgeois, Ghislain Londers, Eric Dirix en Eric Stassijns, en in openbare terechtzitting van twee mei tweeduizend en twee uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guido Bresseleers, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be