Forumbeding - rechtsmacht - gebrekkige levering


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



De Belgische rechter is in casu niet bevoegd om kennis te nemen van een vordering tot betaling uitgaande van een Belgische vennootschap tegen een Duitse vennootschap, ingeval van gebrekkige en onvolledige levering, op grond van een duidelijk forumbeding en art 23 EEX-Verordening


Hof van Beroep te Gent, 23 november 2005

Hof van beroep
te Gent

12 Kamer
________

Terechtzitting
van
23 november 2005
________

EINDARRESTE.E.X.-verordening

- In de zaak met het rolnr. 2004/AR/791 van :

GMBH Pierre WAGNER, vennootschap naar Duits recht
met zetel te 56727 Mayen (Duitsland), Koblenzer Strasse 18,

appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, op tegenspraak gewezen door de vierde kamer dd. 19-1-2004,
oorspronkelijk verweerster op hoofdeis en eiseres op tegenvordering,
hebbende als raadsman mr. HOFFMANN Elisabeth, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 385 Bus 1


tegen :

BVBA PARTY WORLD,
met zetel te 9300 Aalst, Lion D'Orweg 4,
ingeschreven in het handelsregister te Aalst onder nr. 069656,
met ondernemingsnr.: 070.069.656,

geïntimeerde,
oorspronkelijk eiseres op hoofdeis en verweerster op tegenvordering,
hebbende als raadsman mr. DE WOLF Michel, advocaat te 9300 Aalst, Molendries 11

velt het hof het volgend arrest.

1.
De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de stukken werden ingezien.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 maart 2004, heeft de GmbH Pierre Wagner (hierna ook afgekort "Wagner" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 19 januari 2004 op tegenspraak werd gewezen tussen partijen door de vierde kamer van de rechtbank van koophandel te Dendermonde.


Procedure in eerste aanleg

2.
De bvba Party World (hierna ook "Party World" genoemd) zette in haar inleidende dagvaarding van 12 mei 2003 voor de eerste rechter uiteen dat zij producent en grootleverancier is van carnavalkostuums en -toebehoren en dat zij op 22 maart 2002 een overeenkomst tot productie en levering van dergelijke producten sloot met Wagner. Zij verklaarde in de loop van 2002-2003 zeer uitgebreide leveringen met facturatie gedaan te hebben aan Wagner die, zonder enig factuurprotest, nagelaten had ze te voldoen. Zij vorderde betaling van 176.069,79 EUR, vermeerderd met 17.606,98 EUR forfaitaire schadevergoeding en 11.621,95 EUR moratoire rente.

Wagner wierp van meet af aan de "onbevoegdheid" op van de Belgische rechter en stelde dat, op basis van een clausule, opgenomen in de overeenkomst van 22 maart 2002, enkel de Duitse rechter bevoegd was en dat het Duitse recht diende te worden toegepast.

In ondergeschikte orde argumenteerde Wagner - ten gronde - dat Party World de overeengekomen leveringstermijnen niet was nagekomen, dat op de overeengekomen leveringsdatum nog geen 30% van de bestelde goederen was geleverd en dat een groot deel van de geleverde goederen gebreken vertoonde. Zij beriep zich op de exceptie van niet-uitvoering en vorderde bij tegeneis een schadevergoeding, provisioneel begroot op 1 EUR, op een totale schade geschat op 500.000,00 EUR.

3.
Party World beriep zich op dezelfde clausule in de overeenkomst om te besluiten tot de "bevoegdheid" van de Belgische rechtbanken en tot de toepasselijkheid van het Belgische recht. In conclusies herleidde zij haar vordering tot 187.744,60 EUR, meer de gerechtelijke intresten op 160.668,38 EUR in hoofdsom en op 16.067,00 EUR verhogingsbeding tot de datum van de integrale betaling.
Daarnaast breidde zij haar eis uit en vorderde zij dat voor recht werd gezegd dat de overeenkomst van 22 maart 2002 voor de nog niet geleverde goederen werd ontbonden in het nadeel van Wagner en dat deze laatste werd veroordeeld tot een schadevergoeding wegens contractbreuk van 17.863,96 EUR, meer de gerechtelijke intresten.

Tenslotte vorderde Party World de veroordeling van Wagner tot betaling van 2.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos verweer en tot de kosten van het geding.

4.
Wagner, die volhardde in haar exceptie van onbevoegdheid en besloot tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering van Party World, verklaarde vervolgens in toepassing van artikel 49 b van het Weens Koopverdrag, de overeenkomst tussen partijen ontbonden en breidde haar in ondergeschikte orde ingestelde tegenvordering uit tot 434.843,11 EUR, meer de gerechtelijke intresten. Dit bedrag was als volgt samengesteld: (a) winstderving niet geleverde goederen: 183.562,56 EUR; (b) niet ontvangen creditnota voor teruggestuurde kleerhangers: 1.210,80 EUR; (c) kosten aankoop cilinder voor bedrukken niet-geleverde kledij: 1.101,85 EUR; (d) niet teruggegeven monsters + gebrekkige goederen of verkeerde uitvoering van monsters: 20.517,06 EUR; (e) winstderving niet geleverde stoffen: 14.291,63 EUR; (f) kosten aankoop bij derden: 17.148,53 EUR; (g) teruggestuurde, niet gecrediteerde goederen: 1.054,20 EUR; voorafbetaling stof voor kostuums die niet geleverd werden: 5.126,63 EUR; (h) bijkomende personeels-, administratieve en koerierskosten wegens niet naleving leveringstermijnen: 8.971,98 EUR; (i) levering van stoffen aan Party World: 4.357,87 EUR; (j) schade aan het bedrijfsimago: 175.000,00 EUR; (k) schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding: 2.500,00 EUR.

5.
De eerste rechter stelde dat in de raamovereenkomst van 22 maart 2002 uitdrukkelijk bepaald was dat het Belgisch recht van toepassing was en dat de rechtbank van Aalst, thans gefusioneerd met de rechtbank van Dendermonde, territoriaal bevoegd was om kennis te nemen van problemen inzake de betalingsverbintenis van Wagner.

Dat de "betalingsovereenkomst" van Wagner gelieerd is aan de totale leveringsverbintenis in hoofde van Party World, achtte de eerste rechter niet bewezen en zonder belang, aangezien Wagner geen vordering heeft gesteld voor de Duitse rechtbank voor wat de niet-nakoming van de leveringsverbintenis door Party World betreft.


Voorts overwoog de eerste rechter dat Wagner de bevoegdheid niet kon betwisten en tegelijkertijd, zonder enig voorbehoud, een tegeneis kon formuleren. Hij besloot dat Party World de juiste rechter had geadieerd, eraan toevoegend dat het Weens Koopverdrag van toepassing was en dat artikel 57 van dit Verdrag bepaalde dat, indien niet anders is overeengekomen, de koper de verkoper dient te betalen op de plaats van diens vestiging.


6.
Ten gronde stelde de eerste rechter, met betrekking tot de hoofdvordering, dat Wagner zonder voorbehoud de laattijdige leveringen van Party World had aanvaard en geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om deze leveringen te weigeren.

Bovendien overwoog hij dat er geen aanvaardbaar protest voorlag en Wagner de laattijdige levering pas inriep op het ogenblik dat Party World weigerde verder te leveren wegens de oplopende betalingsachterstand. Hij besloot dat Wagner zich ten onrechte beriep op de exceptie van niet-uitvoering.

Tevens stelde hij dat Wagner niet bewees dat zij voldaan heeft aan artikel 73.1 van het Weens Koopverdrag, noch dat zij gehandeld heeft overeenkomstig artikel 49, 1,B van het Weens Koopverdrag, terwijl zij zich met betrekking tot de eventuele niet-conforme levering evenmin gewend heeft tot de terzake bevoegde Duitse rechtbank.

Verder stelde de eerste rechter vast dat Party World haar vordering in de loop van het geding heeft herleid, rekening gehouden met een aantal opmerkingen van Wagner. Hij oordeelde dat deze herleide hoofdvordering kon worden toegekend.

Op de eisuitbreiding strekkende tot ontbinding van de overeenkomst van 22 maart 2002 en toekenning van schadevergoeding kon volgens de eerste rechter niet worden ingegaan omdat de elementen die Party World daarvoor aanhaalde, geen betrekking hadden op de tussen partijen bestaande rechtsverhoudingen. Hij overwoog dat de partijen in een patstelling waren geraakt ingevolge een wederzijds wantrouwen dat teweeggebracht was enerzijds omdat Wagner haar financiële verplichtingen niet naleefde en anderzijds omdat Party World haar leveringsverplichting niet meer nakwam.

Hij wees erop dat Party World Wagner niet in gebreke had gesteld tot verdere afname van goederen en besloot dat het voor de rechtbank zeer moeilijk was om uit te maken ten wiens laste deze patstelling moest worden gelegd, temeer daar er betwisting bestond tussen partijen over het aantal te leveren stukken.
De tegenvordering van Wagner wees de eerste rechter af als ontvankelijk doch ongegrond, onder verwijzing naar de overwegingen in verband met de hoofdvordering. Bovendien stelde hij dat Wagner eventuele schadeclaims niet kon bewijzen en het door haar gevorderde schromelijk overdreven was.

Hij veroordeelde Wagner tot betaling aan Party World van 187.744,60 EUR, meer de gerechtelijke intresten op 176.735,39 EUR vanaf 12 mei 2002 tot de dag der algehele betaling. Het meer gevorderde wees hij af. Wagner werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

Het hoger beroep - Incidenteel hoger beroep
7.
Het hoger beroep van Wagner strekt er toe dat het bestreden vonnis wordt hervormd en dat het Hof, opnieuw recht doende:
-in hoofdorde zich onbevoegd verklaart, de vordering van Party World als onontvankelijk afwijst en haar veroordeelt tot de kosten van beide aanleggen;
-in ondergeschikte orde de hoofdvordering van Party World afwijst als ongegrond;
-eveneens in ondergeschikte orde, akte neemt van de uitbreiding van haar tegenvordering en deze ontvankelijk en gegrond verklaart; dienvolgens Party World veroordeelt tot betaling aan haar van 434.843,11 EUR, meer de gerechtelijke intresten sinds de dagvaarding en tot betaling van een provisioneel bedrag van 83.500,00 EUR en een provisioneel bedrag van 1 EUR;
-in uiterst ondergeschikte orde, de vordering van Party World beperkt tot de hoofdsom van 160.668,38 EUR, compenseert met de vorderingen van Wagner en het door Party World meer gevorderde als ongegrond afwijst; dienvolgens na gerechtelijke compensatie Party World veroordeelt om aan Wagner 274.174,73 EUR te betalen, meer de gerechtelijke intresten sinds datum van dagvaarding, evenals een provisioneel bedrag van 83.500,00 EUR en een provisioneel bedrag van 1 EUR.

De gevorderde som van 83.500,00 EUR betreft de vergoeding van schade die Wagner voorhoudt te lijden wegens de verkoop door Party World aan derden van kostuums waarop eerstgenoemde beweert exclusieve rechten te bezitten.

Bij beschikking d.d. 18 februari 2004 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, verleend op eenzijdig verzoekschrift, werd verbod opgelegd aan Party World om alle producten te verkopen waarvan in het kader van de overeenkomst d.d. 22 maart 2002 tussen Wagner en Party World overeengekomen werd dat de exclusieve rechten op deze modellen aan Wagner werden toegekend en deze modellen niet aan concurrenten van Wagner mochten worden verkocht, op straffe van een dwangsom van 2.500 EUR per verkoop en per product. Bij dezelfde beschikking werd gerechtsdeurwaarder Vandemeulebroucke aangesteld als sekwester teneinde de desbetreffende producten in bewaring te nemen. Het derdenverzet van Party World tegen deze beschikking werd afgewezen bij vonnis van 29 september 2004. Party World heeft daartegen hoger beroep ingesteld en deze zaak is hangend is voor dit Hof, alwaar ze gekend is onder het nummer 2004/RK/329.
8.
Party World besluit tot de onontvankelijkheid en ongegrondheid van het hoger beroep en stelt zelf incidenteel hoger beroep in. Zij vordert dat het Hof het bestreden vonnis deels bevestigt en deels hervormt en meer bepaald:
- zegt voor recht dat de Belgische rechtsmacht bevoegd is om kennis te nemen van het geschil en dat toepassing dient gemaakt te worden van het Belgisch recht en van de relevante rechtstreeks werkende internationale verdragen;
- de tegenvorderingen van Wagner afwijst als onontvankelijk, minstens ongegrond;
- de oorspronkelijke vordering van Party World, zoals herleid, ontvankelijk en gegrond verklaart en Wagner veroordeelt tot betaling van 187.744,60 EUR, meer de gerechtelijke intresten op 176.735,39 EUR tot op datum van integrale betaling;
- de voor de eerste rechter gedane eisuitbreiding ontvankelijk en gegrond verklaart; dienvolgens voor recht zegt dat de overeenkomst van 22 maart 2002 voor de nog niet geleverde goederen wordt ontbonden in het nadeel van Wagner en haar veroordeelt tot een schadevergoeding wegens contractbreuk van 17.863,96 EUR meer de gerechtelijke intresten;
- de tegenvordering houdende tergend en roekeloos geding afwijst als ongegrond en Wagner veroordeelt tot betaling van 2.000,00 EUR wegens tergend en roekeloos verweer;
- Wagner veroordeelt tot de kosten van het geding, evenals tot de kosten van de onterechte aanstelling van een sekwester op eenzijdig verzoekschrift en de kosten van derdenverzet, voor zover de bodemrechter nog dient te oordelen over openstaande kosten in het vonnis van derdenverzet.

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de hoger beroepen

9.
Partijen verklaren dat het bestreden vonnis op 12 februari 2004 op verzoek van Party World betekend werd aan Wagner. Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Bovendien werd het tijdig ingesteld, gelet op de artikelen 1051 en 55 van het gerechtelijk wetboek. Party World voert geen gronden aan ter motivering van haar exceptie van onontvankelijkheid, terwijl het Hof evenmin het bestaan daarvan vaststelt. Het hoger beroep is bijgevolg ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep.

Rechtsmacht - bevoegdheid

10.
In hoofdorde werpt Wagner op dat de Belgische rechtbanken onbevoegd zijn om kennis te nemen van het geschil en dat enkel de Duitse rechtbanken bevoegd zijn.

Wat Wagner omschrijft als een exceptie van onbevoegdheid, betreft in werkelijkheid de internationale rechtsmacht. Zij houdt niet voor dat een andere Belgische rechtbank dan de geadieerde bevoegd is, maar wel dat deze vordering niet behoort tot het imperium van de Belgische rechterlijke orde (vgl.: LAENENS, Overzicht van rechtspraak; De bevoegdheid (1993-2000), T.P.R., 2002, nr. 2, p. 1501 en nr. 151, p. 1575).


11.
Wagner is voor de eerste rechter verschenen, doch met de bedoeling te betwisten dat hij kennis kon nemen van de vordering van Party-World. Uit het feit dat Wagner verschenen is, kan in die omstandigheden niet afgeleid worden dat zij erkende dat de geadieerde rechter over rechtsmacht of bevoegdheid beschikte (artikel 24 EEX-Verdrag). De vaststelling dat zij, in ondergeschikte orde, een tegenvordering instelde, doet evenmin afbreuk aan de in hoofdorde gevoerde betwisting.


12.
De vraag welke rechter kan oordelen over het voorliggend commercieel geschil tussen een Belgische en een Duitse handelsvennootschap, dient beslecht te worden op grond van de Verordening (EG) 44/2001 van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (vgl.: PB L, 16 januari 2001, afl. L.12,1, hierna de EEX-Verordening genoemd), die in werking is getreden op 1 maart 2002 (art. 76 van de Verordening) en van toepassing is op rechtsvorderingen die zijn ingesteld na de inwerkingtreding ervan (artikel 66.1 van de Verordening).

Krachtens de algemene bepaling van artikel 2 van de EEX-Verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Zij kunnen slechts voor de rechtbanken van een andere lidstaat worden opgeroepen op één van de gronden, aangehaald in de artikelen 5 tot en met 24 van de EEX-Verordening (art. 3.1 EEX-Verordening).


13.
Beide partijen beroepen zich op de toepassing van artikel 23 van de EEX-Verordening om te besluiten dat - volgens Wagner - de Duitse en - volgens Party World - de Belgische rechtbanken "bevoegd zijn".

Wanneer de partijen, van wie er tenminste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van de geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van deze lidstaat bevoegd. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen.

Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht wordt gesloten hetzij bij een schriftelijke overeenkomst of bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden, hetzij, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen (artikel 23.1 EEX-Verordening).


14.
In de door beide partijen ondertekende raamovereenkomst, die vervat is in het telefaxbericht d.d. 22 maart 2002 van Wagner, wordt bepaald:
"Erfüllungsort für alle Leistungen aus dem Auftragsvertrag der Verkauferin ist 56727 Mayen, Gerichtsstand ist Mayen. Es gilt das Recht der Bundesrepublik Deutschland als vereinbart. Erfüllt die Firma Party World ihre vereinbarten Lieferungen und kommt die Firma Pierre Wagner ihren Zahlungen nicht nach, gilt für diese Zahlungsvereinbarung belgisches Recht. Gerichtsstand ist dann Aalst"
of, vertaald:
"Plaats van uitvoering van alle verbintenissen uit de (raam)overeenkomst voor de verkoper is 56727 Mayen. De bevoegde rechtbank is te Mayen. Het recht van de Duitse Bondsrepubliek geldt als overeengekomen. Voert de firma Party World de overeengekomen leveringen uit en komt de firma Pierre Wagner haar betalingsverbintenissen niet na, dan geldt voor deze betalingsovereenkomst Belgisch recht en is de rechtbank van Aalst bevoegd".

Beide partijen zijn het eens dat dit beding een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht uitmaakt in de zin van artikel 23 EEX-Verordening en dat op grond daarvan dient beoordeeld te worden welke rechter kennis kan nemen van het voorliggend geschil.

15.
Volgens Wagner is dit de Duitse rechter, aangezien de Belgische rechter slechts bevoegd is en het Belgisch recht slechts kan toegepast worden wanneer Party World haar leveringen is nagekomen én Wagner haar betalingsverplichtingen niet nakomt. Aan deze cumulatieve voorwaarden is volgens haar niet voldaan aangezien Party World haar leveringsplicht niet is nagekomen. Wagner houdt voor dat op de overeengekomen leveringsdatum, met name 30 september 2002, slechts 30 % van de bestelde goederen waren geleverd, terwijl Party World zelf toegeeft dat zij slechts 90 % van de goederen had geleverd.

16.
Party World is van oordeel dat de Belgische rechter kennis kan nemen van het geschil. Zij argumenteert in dit verband:
- dat de rechtsmacht en de bevoegdheid worden bepaald door de feiten en de vorderingen zoals ze uit de dagvaarding blijken;
- dat Party World in haar dagvaarding de betalingsverbintenissen van Wagner opeist en dat zij tevens schadevergoeding en ontbinding van de overeenkomst vordert;
- dat geen rekening kan gehouden worden met betwistingen ten gronde voor het bepalen van de bevoegde rechter;
- dat de clausule voor het verlenen van rechtsmacht aan de Belgische fora geen cumulatieve voorwaarden stelt, namelijk de nakoming door Party World van haar leveringen én het niet-nakomen door Wagner van haar betalingsverplichtingen;
- dat, zelfs indien de verbintenissen uit de overeenkomst worden opgesplitst voor wat de bevoegdheid betreft, de Belgische fora bevoegd blijven wegens aanhangigheid, samenhang of verknochtheid van deze verbintenissen, zodat in elk geval de gehele betwisting voor de Belgische rechtbanken dient gevoerd te worden.
Verder stelt Party World dat het Weens Koopverdrag op de overeenkomst van toepassing is, waarbij in subsidiaire orde - meer bepaald voor de aangelegenheden die niet geregeld zijn door dit Verdrag - het intern Belgisch recht dient toegepast te worden.

Voor zover het forumbeding voor interpretatie vatbaar is, dient het - steeds volgens Party World -, naar Belgisch recht geïnterpreteerd te worden. Doch zowel onder Belgisch recht, als onder de internationale verdragen (EEX, EVO en CISG) dient de interpretatie in hoofdorde te gebeuren volgens de tekstuele interpretatie en de bedoeling van de partijen.

Rekening houdend daarmee dient het forumbeding volgens Party World als volgt geïnterpreteerd te worden:
- zij maakt een onderscheid tussen twee soorten betwistingen, namelijk enerzijds deze waarbij Party World levert en/of Wagner haar betalingsverbintenissen niet nakomt (dan is de Belgische rechter bevoegd) en anderzijds de "andere gevallen" (dan is de Duitse rechter bevoegd);
- zij hield een compromis in tussen de belangen van beide partijen en het was de bedoeling om betwistingen inzake leveringen en/of niet-betalingen aan het Belgisch forum te onderwerpen;
- ter aanvulling en verduidelijking van de wil en de bedoeling van Party World geven haar algemene factuurvoorwaarden een indicatie omtrent de interpretatie van het beding; volgens deze algemene voorwaarden, die wat dit punt betreft weliswaar niet van toepassing zijn op de overeenkomst, kunnen alle geschillen omtrent het ontstaan, de uitvoering of de interpretatie van de overeenkomst volgens de uitsluitende keuze van Party World gebracht worden voor de rechtbanken van het arrondissement Dendermonde of voor deze van het arrondissement waar de klant zijn zetel of woonplaats heeft; dit wijst er op dat het de wil was van Party World om bij twijfel de bevoegdheid in haar voordeel te interpreteren;
- de werkelijke wil primeert op de letter van de wilsverklaring - die opgenomen werd in een akte die eenzijdig werd opgesteld door Wagner en in de Duitse taal. In de zinsnede "Vervult de firma Party World de overeengekomen leveringen en komt de firma Pierre Wagner haar betalingsverbintenissen niet na" wijst het woord "en" niet op een cumulatieve voorwaarde, maar is het de uiting van de wil van de partijen om de betwistingen inzake leveringen of niet-betalingen aan het Belgisch forum te onderwerpen, met toepassing van Belgisch recht; de beweerde cumulatieve voorwaarde zou aanleiding kunnen geven tot misbruiken, aangezien het zou volstaan op te werpen dat aan de leveringen niet voldaan is, om de toepassing van de clausule uit te schakelen;
- wanneer het beding dubbelzinnig is, dient er een interpretatie aan gegeven te worden veeleer in de zin waarin het enig gevolg heeft dan in die waarin het geen gevolg teweegbrengt; in de interpretatie die Wagner eraan geeft, wordt de toepassing van dit beding dermate verengd dat de partijen deze uitwerking ervan uiteraard niet hadden bedoeld;
- er dient rekening gehouden te worden met de internationale handelsgebruiken en met de gebruikelijke standaardbedingen in de sector; in de factuurvoorwaarden van producenten van carnavalproducten is steeds een forumbeding in hun voordeel opgenomen; de uitzondering die in het voorliggend geval het resultaat was van het feit dat Wagner een grotere onderhandelingsmacht had, dient restrictief geïnterpreteerd te worden.

Zelfs indien de elementen vermeld in de betreffende zin van het forumbeding, cumulatief geïnterpreteerd worden, dient dit volgens Party World te gebeuren in haar voordeel. Of zij aan haar leveringsplicht heeft voldaan, kan pas vastgesteld worden na onderzoek van de feiten en de eruit voortvloeiende rechtsproblematiek. In hoofdorde dient evenwel verwezen te worden naar de feiten en rechtsgronden, zoals in de dagvaarding aangehaald.

Party World betoogt dat zij wel degelijk aan haar leveringsplicht heeft voldaan tot ze hem rechtmatig mocht opschorten, dat zij nooit afstand gedaan heeft van haar vordering om betaling te bekomen en dat Wagner ten onrechte de exceptie van niet-uitvoering en verborgen gebreken inroept. Daaruit blijkt volgens haar dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het laatste deel van de forumclausule voldaan is en dat Wagner te kwader trouw is in de uitvoering van de overeenkomst.

Verder laat Party World gelden dat het van weinig respect getuigt om, in weerwil van eerder gemaakte afspraken, de betwisting, zowel wat bevoegdheid als toepasselijk recht betreft, volledig naar Duitsland over te hevelen.

Party World besluit dat de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de niet betaling van de facturen voldoende is om de Belgische rechtsmacht en het Belgische recht van toepassing te verklaren en dat de betalingsovereenkomst niet gelieerd is aan de totale leveringsverbintenis. Dat Wagner zelf geen vordering heeft ingesteld voor de Duitse rechtbank, is slechts een bijkomende overweging.


17.
Het Hof stelt vast dat uit de tekst van het beding ondubbelzinnig blijkt dat de partijen als beginsel vooropstelden dat hun overeenkomst onderworpen was aan het Duitse recht en dat zij de rechtbanken te Mayen (Duitsland) aanwezen om kennis te nemen van de geschillen die daaruit voortvloeiden. Van dit algemeen beginsel werd afgeweken indien voldaan was aan de voorwaarden aangehaald in het tweede deel van de clausule: "Vervult de firma Party World de overeengekomen leveringen en komt de firma Pierre Wagner haar betalingsverbintenissen niet na, dan geldt voor deze betalingsovereenkomst Belgisch recht en is de rechtbank van Aalst bevoegd".

Deze clausule is duidelijk en behoeft geen interpretatie. De uitzondering op de algemene regel geldt voor "deze betalingsovereenkomst", waarmee de "betalingsverbintenissen" van Wagner worden bedoeld en ze is van toepassing wanneer "Party World de overeengekomen leveringen" "vervult" "en" "Wagner haar betalingsverbintenissen niet na" komt.

De stelling van Party World dat in deze zin het woord "en" als "of" moet gelezen worden en dat de Belgische rechtbanken op grond van dit beding zowel kennis kunnen nemen van geschillen in verband met de betalingsverbintenissen van Wagner als in verband met haar leveringsverbintenissen, miskent de duidelijke tekst van de clausule. Immers, daarin wordt enkel gesteld dat voor "deze betalingsovereenkomsten" de Belgische rechtbanken bevoegd zijn en niet voor "leveringsovereenkomsten". Bovendien geeft Party World geen redelijke verklaring waarom de term "en" gebruikt werd, wanneer het de wil en de bedoeling van de partijen was om "of" te vermelden. Dat de tekst opgesteld werd door Wagner én in de Duitse taal, kan terzake niet als een ernstig argument aanvaard worden, aangezien Party World te kennen gegeven heeft met deze tekst in te stemmen - en hem derhalve te begrijpen - door de overeenkomst waarin hij was opgenomen te ondertekenen.


18.
Geen enkele van de door Party World ingeroepen redenen doet afbreuk aan het voorgaande.

Het Hof kan aannemen dat de clausule, waarbij niet een, maar wel twee verschillende rechtbanken worden aangewezen die, naar gelang van het geval, kennis kunnen nemen van de geschillen voortvloeiend uit de overeenkomst, het resultaat is van een compromis tussen de belangen van beide partijen. Dit laat evenwel niet zonder meer toe de toepassingsvoorwaarden van één van deze - elkaar uitsluitende - aanwijzingen van een rechtbank ruimer te omschrijven dan blijkt uit de tekst. Dat de partijen overeenkwamen, de wil geuit hebben of de bedoeling hadden om ook geschillen in verband met de leveringsverplichting aan de Belgische rechtsmachten te onderwerpen, blijkt bovendien uit geen enkel gegeven van de zaak.
Evenmin kan uit het forumbeding trouwens afgeleid worden dat alle geschillen over de betalingsverbintenissen aan een Belgische rechtbank kunnen voorgelegd worden. Indien dit laatste het geval was geweest, hadden de partijen zich kunnen beperken tot de vermelding "Komt de firma Pierre Wagner haar betalingsverbintenissen niet na, dan geldt voor de betalingsverbintenissen Belgisch recht en is de rechtbank van Aalst bevoegd". De toevoegingen "Vervult de firma Party World de overeengekomen leveringen" en "deze" betalingsovereenkomst, beperken de uitzondering op het beginsel dat de geschillen voor een Duitse rechtbank worden gebracht tot de geschillen in verband met de niet nagekomen betalingsverbintenis van Wagner in de hypothese dat Party World "de overeengekomen leveringen" heeft vervuld.

Een geding kan derhalve slechts voor een Belgische rechtbank worden ingeleid, wanneer Party World "de overeengekomen leveringen", dit zijn alle leveringen die zij op grond van de overeenkomst diende te verrichten, had uitgevoerd.

De overweging van de eerste rechter dat niet bewezen werd dat de betalingsovereenkomst van Wagner gelieerd was aan de totale leveringsverbintenis van Party World, is niet terzake dienend voor de oplossing van het geschil over de rechtsmacht. De rechtsvraag aangaande de voorwaarden waaronder Wagner de facturen diende te betalen, betreft de grond van de zaak en is onderscheiden van de vraag onder welke voorwaarden Party World een vordering op grond van deze betalingsverbintenissen kon instellen voor de Belgische rechter.


19.
De opmerking van Party World dat een bedongen regeling aanleiding kan geven tot misbruiken, verantwoordt nog niet dat zij niet zou moeten toegepast worden. De kwade trouw van de contractpartijen wordt trouwens niet vermoed. De stelling dat aan deze clausule een interpretatie dient gegeven te worden veeleer in de zin waarin zij een gevolg heeft dan in die waarin zij geen gevolg heeft, vertrekt van deze kwade trouw en zou bovendien slechts kunnen ingeroepen worden ingeval van een dubbelzinnig beding, wat te dezen niet het geval is.


20.
De verwijzing door Party World naar de algemene voorwaarden op haar facturen, kan geen element zijn waarmee rekening dient gehouden te worden bij een eventuele interpretatie van de forumclausule in de overeenkomst. Zij erkent zelf dat het forumbeding in deze algemene voorwaarden niet van toepassing is op de overeenkomst. De vaststelling dat de partijen een regeling bedongen die afweek van de algemene voorwaarden en die niet voor twijfel vatbaar is, impliceert meteen dat deze algemene voorwaarden op dat punt de overeenkomst niet kunnen uitleggen

Om dezelfde reden kan geen rekening gehouden worden met de verwijzing door Party World naar de algemene voorwaarden die door andere producenten van carnavalkostuums worden gebruikt. Het is een algemeen gebruik dat partijen, in eenzijdige algemene voorwaarden, een forumbeding opnemen in het voordeel van het gerecht van de plaats waar zij gevestigd zijn. In het voorliggend geval geldt evenwel niet het forumbeding uit de algemene voorwaarden van een partij, maar een clausule in een door beide partijen ondertekende overeenkomst.


21.
De omstandigheid dat de rechtsmacht en de bevoegdheid worden bepaald door de feiten en de vorderingen zoals ze uit de dagvaarding blijken en dat daarvoor geen rekening mag gehouden worden met de betwistingen ten gronde, belet niet dat, wanneer zoals in dit geval, de partijen de voorwaarden bepaald hebben waaraan dient voldaan te zijn opdat een rechter, in afwijking van een eveneens conventioneel vastgestelde algemene regeling, kennis kan nemen van het geschil en wanneer vóór elk ander verweer zijn rechtsmacht of bevoegdheid wordt betwist, de geadieerde rechter aan de hand van hetgeen gevorderd wordt in de dagvaarding, dient te onderzoeken of aan deze voorwaarden voldaan is.

Uit de dagvaarding van 12 mei 2003 blijkt weliswaar dat Party World de uitvoering vorderde van de betalingsverbintenis van Wagner, doch niet dat de overeengekomen leveringen waren uitgevoerd.

Terloops wijst het Hof er trouwens op dat Party World ter staving van haar stelling dat de Belgische rechter kennis kon nemen van het geschil vermeldde: "Komt de firma Pierre Wagner haar betalingsverplichtingen niet na, dan geldt voor deze betalingsinvordering het Belgisch recht. De bevoegde rechtbank is dan deze van Aalst". Zij citeerde aldus het (volgens haar toepasselijk gedeelte van het) forumbeding onvolledig, daarbij een valse indruk wekkend door het woord "Komt" met hoofdletter te schrijven.

Aan de hand van de inhoud van de dagvaarding en de vordering van Party World bleek aldus niet dat aan de cumulatieve voorwaarden, gesteld in het forumbeding, voldaan was.



Ongeacht de uiteenlopende redenen die de partijen daarvoor aanhalen, staat vast dat Party World niet alle overeengekomen leveringen heeft uitgevoerd. Zij vordert trouwens de ontbinding van de overeenkomst van 22 maart 2002 "voor de nog niet geleverde goederen".


22.
Aangezien niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in het forumbeding om het geschil in verband met de betalingsverbintenis van Wagner voor de Belgische rechter te brengen, kan Party World a fortiori niet voorhouden dat deze rechter, wegens samenhang, aanhangigheid of verknochtheid, kennis zou kunnen nemen van de vorderingen die hun oorsprong vinden in andere verbintenissen uit dezelfde overeenkomst.


23.
Uit het voorgaande volgt dat de Belgische rechtbanken niet over rechtsmacht beschikken om kennis te nemen van de gestelde vorderingen. Bijgevolg is het hoger beroep gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond. Party World wordt veroordeeld tot de kosten in beide aanleggen. De kosten die verband houden met de betwisting inzake het sekwester, dat nog hangend is voor dit Hof, vormen geen kosten van huidig geding, zodat er in dit arrest geen uitspraak over kan gedaan worden.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak,

Toepassing makend van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;


Verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, dit laatste ongegrond en het eerste gegrond als volgt;

Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw recht doende;

Verklaart niet over rechtsmacht te beschikken om kennis te nemen van de gestelde vorderingen en verklaart ze dienvolgens niet ontvankelijk;




Veroordeelt de bvba Party World tot de kosten van het geding in beide aanleggen, aan de zijde van GmbH Pierre Wagner begroot op 342,09 EUR (rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg), 186,00 EUR (rolrecht hoger beroep), 59,49 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep) en 475,96 EUR (rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep).


Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 23 november 2005.

Aanwezig:
- E. Teirlinck, voorzitter;
- J. Baudrez, raadsheer;
- E. Dursin, raadsheer;
- B. De Wilde, griffier.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be