Eťnzijdige verbreking en gerechtelijke ontbinding


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Cass. 16 februari 2009


Arrest
Nr. C.08.0043.N
WILLEMS , naamloze vennootschap, met zetel te 9600 Ronse, Industriepark Klein Frankrijk 29,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. Lucien Simont, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
EGTA ANTWERPEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Desguinlei 22,
verweerster,
vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerster woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 november 2007 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 19 januari 2009 verwezen naar de derde kamer.
Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.
1. Eerste middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de Grondwet;
- de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres ongegrond en bevestigt het eerste vonnis dat de hoofdvordering van de eiseres ongegrond, en de tegenvordering van de verweerster gegrond had verklaard, en gezegd had voor recht dat de tussen partijen afgesloten onderaannemingsovereenkomst eenzijdig werd verbroken door de eiseres en als ontbonden lastens deze partij kan worden beschouwd, op grond van de volgende overwegingen:
"De bewijswaarde van het deskundigenverslag.
(De eiseres) trekt op verschillende punten de bewijswaarde van het deskundigenverslag van de gerechtsdeskundige in twijfel.
In het bestreden vonnis werden de verschillende relevante vaststellingen van de gerechtsdeskundige vermeld. Het volstaat hiernaar te verwijzen.
(De eiseres) houdt voor dat deze besluiten van de gerechtsdeskundige niet door objectieve gegevens zouden zijn ondersteund, maar steunen op foutieve premissen zonder rekening te houden met haar eigen opmerkingen.
(De eiseres) brengt geen enkel gegeven aan dat toelaat te besluiten tot een gebrek aan bewijswaarde van het deskundigenverslag. Zij brengt geen bewijs bij die haar opmerkingen, welke in strijd zijn met de besluiten van de deskundige, op enigerlei wijze aannemelijk maken. (De eiseres) brengt geen - zelfs geen eenzijdige - bewijzen bij van hetgeen zij stelt. Ook vraagt zij, zelfs niet ondergeschikt dat een vervangend of aanvullend deskundigenonderzoek zou worden bevolen.
Uit het deskundigenverslag blijkt dat de gerechtsdeskundige uiterst zorgvuldig te werk is gegaan. Hij heeft alle nodige vaststellingen gedaan.
Hij heeft uitvoerig alle punten van zijn opdracht uitgevoerd en zulks volgens de in het Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure en met eerbiediging van eenieders rechten.
Met de eerste rechter besluit het hof (van beroep) dat het advies van de gerechtsdeskundige op verschillende objectieve gegevens steunt en dient te worden gevolgd" (arrest, pp. 4-5).
"Ook uit het deskundigenverslag, waaromtrent het hof (van beroep) hierboven oordeelt dat het volledige bewijswaarde heeft, (...)" (arrest, p. 6).
Grief
Eerste onderdeel
Schending van artikel 149 van de Grondwet.
Hoewel de rechter vrij de bewijswaarde beoordeelt van de vaststellingen en gevolgtrekkingen van een deskundige, is het hem niet toegestaan onverkort te steunen op een deskundig verslag, zonder te antwoorden op een conclusie waarbij een partij specifieke grieven tegen dit verslag aanvoert.
In haar akte van hoger beroep (p. 7) en haar beroepsconclusie (pp. 6-7) had de eiseres de volgende fundamentele kritiek op het deskundig verslag laten gelden:
"Het feit dat tussen de installatievergadering en het neerleggen van het eindverslag 4 jaar verstrijkt, spreekt boekdelen over de kwaliteit van dit verslag.
Bij zijn vaststellingen in 1994 stelt de deskundige vast dat de dagrapporten van (de eiseres) melding maken van de productie van ramen van 17 december 1993 tot 21 december 1993.
In 1996 trekt de deskundige de waarde van die productiedagrapporten plots in twijfel, en spreekt de deskundige zelfs van een eventuele ‘postume aanpassing' zonder daartoe enige concrete aanwijzing te hebben.
In zijn besluit omtrent de vertraging waarvoor (de verweerster) zelf aansprakelijk is (‘advies te geven aan de hand van de tussen partijen gevoerde briefwisseling'), stelt de deskundige plots dat de kern van het probleem zou liggen bij de incompetentie van mevrouw B. . Verdere motivering volgt niet" (akte van hoger beroep, p. 7; syntheseconclusie eiseres, p. 6 en 7).
Niettemin geeft de deskundige toch ook aan dat het proces van opmaken en goedkeuring van de tekeningen moeizaam is verlopen, dat de architect blijkbaar nogal veeleisend is geweest. Er wordt besloten dat (de verweerster) in deze materie als algemeen aannemer en coŲrdinator van de werken ietwat in gebreke is gebleven.
De deskundige meent verder dat de werf hem een vrij normaal verloop ‘lijkt' te kennen, doch snijdt daarbij het onderwerp van de ontbrekende dorpels niet aan.
Nochtans, en (de eiseres) verwijst nogmaals naar de vaststellingen van de gerechtsdeurwaarder van 26 januari 1994, ontbraken, 5 weken na de door (de verweerster) vooropgestelde datum waarop maatregelen van rechtswege zouden worden genomen indien niet alle ramen en deuren waren geplaatst, nog diverse dorpels, zodat (de eiseres) eenvoudigweg niet tot plaatsing kon overgaan" (akte van hoger beroep, p. 7; syntheseconclusie, p. 7).
"(De verweerster) stelt desbetreffend dat de deskundige het onderwerp van de dorpels in zijn deskundig verslag wťl zou hebben behandeld.
Enige intellectuele eerlijkheid is alhier op zijn plaats: de deskundige heeft het onderwerp opgenomen in het verslag bij de vaststellingen en verklaringen van de partijen, doch zonder verder in het verslag gevolgtrekkingen te nemen" (syntheseconclusie, p. 7) .
Aldus had de eiseres precieze grieven tegen het deskundigenverslag aangevoerd, met name: (1) de verwijzing naar de lange duur van de expertise (4 jaar) waarbij initiŽle vaststellingen twee jaar later in twijfel werden getrokken, (2) de ongemotiveerde stelling dat de oorzaak ligt bij incompetentie van een werknemer van de eiseres (Mevr. B. ), (3) de vaststelling dat ook door de verweerster fouten werden begaan, doch zonder dat hieraan enig gevolg wordt verbonden en (4) het gegeven dat er door de deskundige niet werd ingegaan op het feit dat ook door de deurwaarder was vastgesteld, namelijk dat diverse dorpels ontbraken 5 weken na de door de verweerster vooropgestelde uitvoeringsdatum zodat de plaatsing van de ramen in geen geval had kunnen voltooid worden.
Het arrest stelt in algemene bewoordingen dat het advies van de gerechtsdeskundige op verschillende objectieve gegevens steunt en dient te worden gevolgd, en dat de eiseres geen gegeven aanbrengt dat toelaat te besluiten tot een gebrek aan bewijswaarde van het deskundigenverslag, doch antwoordt hiermee niet op de specifieke grieven van de eiseres waarbij de bevindingen van de deskundige werden betwist.
Aldus is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).
Tweede onderdeel
Schending van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en 962 van het Gerechtelijk Wetboek.
Een deskundigenonderzoek in de zin van artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek waarbij door een deskundige vaststellingen worden gedaan of een technisch advies wordt gegeven heeft slechts de bewijswaarde van een vermoeden in de zin van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek.
De rechter is ertoe gehouden de bewijswaarde hiervan te beoordelen, zonder dat hij er ab initio van mag uitgaan dat het verslag het bewijs oplevert van een feit, behoudens het door een van de partijen te leveren tegenbewijs op basis van een eigen deskundigenverslag, dan wel een vervangend of aanvullend deskundigenonderzoek.
Een deskundigenonderzoek kan aldus louter op basis van tegengestelde vermoedens in twijfel getrokken worden, zonder dat hiertoe vereist is dat een partij een eigen deskundigenverslag neerlegt, dan wel een aanvullend onderzoek vordert.
Indien de door een deskundige aangevoerde vermoedens door een partij worden betwist op grond van precieze grieven en tegengestelde vermoedens, dient de rechter, wanneer hij alsnog op dit verslag wenst te steunen, aan te geven waarom hij de door die partij geuite vermoedens terzijde schuift ten voordele van de bevindingen van de deskundige.
De loutere bewering dat de deskundige "uiterst zorgvuldig" is te werk gegaan en "alle nodige vaststellingen heeft gedaan" gaat volkomen voorbij aan de door de eiseres geuite kritiek, gesteund op (1) de verwijzing naar de lange duur van de expertise (4 jaar) waarbij initiŽle vaststellingen twee jaar later in twijfel werden getrokken, (2) de ongemotiveerde stelling dat de oorzaak ligt bij incompetentie van een werknemer van de eiseres (Mevr. B. ), (3) de vaststelling dat ook door de verweerster fouten werden begaan, doch zonder dat hieraan enig gevolg wordt verbonden en (4) het gegeven dat er door de deskundige niet werd ingegaan op het feit dat ook door de deurwaarder was vastgesteld, namelijk dat diverse dorpels ontbraken 5 weken na de door de verweerster vooropgestelde uitvoeringsdatum zodat de eiseres niet tot de plaatsing van de ramen kon overgaan.
Door het deskundigenonderzoek "volledige bewijswaarde" te verlenen zonder aan te geven waarom het de door eiser geuite vermoedens terzijde schuift ten voordele van de precieze kritiek van de eiseres, en door te vereisen dat de eiseres het tegenbewijs levert van het deskundigenonderzoek door middel van een "eigen deskundigenverslag", dan wel het vorderen van "een vervangend of een aanvullend onderzoek", verleent het arrest aan dit deskundigenonderzoek een bewijswaarde die het in rechte niet heeft, en schendt het mitsdien de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek en 962 van het Gerechtelijk Wetboek.
2. Tweede middel
Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1134, 1146, 1147, 1149, 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek;
- artikel 702, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Aangevochten beslissing
Het bestreden arrest oordeelt dat de eiseres de onderaannemingsovereenkomst met de verweerster eenzijdig heeft verbroken en verklaart vervolgens het hoger beroep van de eiseres ongegrond, bevestigt het eerste vonnis dat de hoofdvordering van de eiseres ongegrond, en de tegenvordering van de verweerster gegrond had verklaard, en gezegd had voor recht dat de tussen partijen afgesloten onderaannemingsovereenkomst eenzijdig werd verbroken door de eiseres en als ontbonden lastens deze partij kan worden beschouwd, op grond van de volgende overwegingen:
"In haar brief van 21 december 1993 meldt (de eiseres) echter dat zij elke voortzetting van de bestelling stopzet. Zij wenst hierin ook een nieuw akkoord (met name met betrekking tot wat zij de onrechte dreiging van boeteclausules noemt), wat impliceert dat zij de bestaande overeenkomst eenzijdig opzegt. In haar antwoord hierop op 22 december neemt (de verweerster) nota van de beslissing de bestelling stop te zetten.
Het hof (van beroep) stelt vast dat er geen uitzonderlijke omstandigheden zijn die de houding van (de eiseres) rechtvaardigen. (De verweerster) heeft zich niet schuldig gemaakt aan een toerekenbare tekortkoming die ook een gerechtelijke ontbinding zou rechtvaardigen. Zelfs indien aan (de verweerster) iets zou kunnen verweten worden, was het mogelijk een uitstel te verlenen om haar de kans te geven haar verbintenissen na te komen. Immers heeft de rechter bij een vordering tot gerechtelijke ontbinding de bevoegdheid een dergelijk uitstel te verlenen. De onmogelijkheid uitstel te verlenen zou kunnen blijken uit de hoogdringendheid, uit de schadebeperkingsplicht, uit het feit dat elke verdere uitvoering van de overeenkomst onmogelijk is geworden of uit het wegvallen van het nodige vertrouwen. Dit is niet het geval.
Ten slotte eisen de redelijkheid, de billijkheid en de goede trouw bij de uitvoering van overeenkomsten, die ook gelden bij de ontbinding, dat de schuldeiser voorafgaand aan de kennisgeving van buitengerechtelijke ontbinding een ingebrekestelling moet versturen met een laatste uitvoeringstermijn.
Zoals hierboven vastgesteld heeft (de eiseres) hier echter zelf duidelijk meegedeeld elke voortzetting te stoppen. Zij stelt hierin (de verweerster) niet in gebreke om eventuele tekortkomingen te herstellen, maar stelt een einde aan de contractuele relatie. Zij wil enkel de contractuele relatie herstellen, als (de verweerster) akkoord gaat met punten, die oorspronkelijk niet waren overeengekomen. Dit is een eenzijdige contractbreuk door (de eiseres). In dat licht heeft de voorafgaande chronologie van de feiten dan ook geen belang. (De eiseres) kan dan ook niet haar brief als een ingebrekestelling tegen rechtsmisbruik bestempelen. De brief is immers een eenzijdige opzeg.
Ook uit het deskundigenverslag, waaromtrent het hof (van beroep) hierboven oordeelt dat het volledige bewijswaarde heeft, kan geen fout in verband met de eenzijdige verbreking van de overeenkomst door (de verweerster) gevonden worden. Het enige, dat volgens de gerechtsdeskundige aan (de verweerster) zou kunnen verweten worden, is dat het proces van opmaken en goedkeuren van de tekeningen, van de raamgehelen en details, ietwat moeizaam is verlopen (p. 22 punt 4 deskundigenverslag). Zulks is geen rechtsgrond voor de oorspronkelijke vordering van (de eiseres).
In de gegeven omstandigheden kon (de verweerster) dan ook van rechtswege de maatregelen treffen die zij nodig achtte en zulks conform artikel VII van haar algemene voorwaarden.
De oorspronkelijke hoofdvordering is dan ook ongegrond. De cijfermatige berekening ervan is dan ook niet meer van belang.
Het hof (van beroep) bevestigt het bestreden vonnis op dat punt" (arrest, pp. 6 - 7).
Grief
Eerste onderdeel
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.
In haar brief van 21 december 1993 (bijgevoegd stuk 1) reageert de eiseres op het bericht vanwege de verweerster van 21 december 1993 waarbij zij in gebreke werd gesteld met de dreiging dat indien zij de werken niet zou aanvatten op 22 december 1993, de verweerster conform artikel VII van de Algemene Aannemingsvoorwaarden de werken zelf zou verderzetten en/of een derde hiermee zou belasten op risico en kosten van de eiseres.
De eiseres stelt hierbij letterlijk:
"Bij grondiger onderzoek moet U bekennen dat U een redelijke samenwerking onmogelijk maakt en U, als doorwinterd hoofdaannemer, op de loer ligt om de in ons nadeelliggende machtsverhouding ‘Hoofdaannemer-onderaannemer' op een oneerlijke manier uit te buiten" (bijgevoegd stuk 1, eerste blad).
Ter staving hiervan stelt zij vervolgens "(zelfs) zonder verder in de details te gaan, is dit toch overduidelijk. Inderdaad".
Waarna de eiseres de voorafgaande gebeurtenissen chronologisch als volgt weergeeft:
"1. Slechts op 26 juni 1993 maakt U ons de bestelling aluschrijnwerk over van voormelde werf daar waar later blijkt dat Uzelf de verplichting had al de werken te beŽindigen rond de jaarlijkse vakantie 1993. Zie hieromtrent onze opmerking in ons aangetekend schrijven van 18 november 1993, punt dat U trouwens nooit hebt betwist noch weerlegd.
2. Omdat U zelf bij ons laattijdig hebt besteld (week 26), hebt U geprobeerd onze leveringstermijnen kort te houden (zijnde week 37 t/m 40); wij hebben dit toen aanvaard in de veronderstelling dat alles voldoende zou opschieten en beslist worden.
3. Integendeel:
a) U laat zelfs zes weken voorbijgaan (2 augustus 1993) om ons mede te delen in welk profielsysteem de uitvoering moet gebeuren.
b) Dan vraagt U ons 4 verschillende kleurstalen. Reeds op 10 augustus laten wij U zelfs 6 in plaats van 4 verschillende kleurstalen geworden; desniettemin vraagt U ons daarna nog bijkomende kleuren die wij U op 20 augustus 1993 laten geworden.
c) Op 25 augustus meldt U ons belangrijke wijzigingen, bijvoorbeeld buitendeur die vervalt omdtat Uzelf ergens anders een schuifdeur bestelt.
d) Op 25 augustus 1993 stuurt U ons verschillende bouwdetails, doch U vergeet detail F, die U ons nadien toezendt.
e) De dag nadien nl. 26 augustus 1993 krijgt U van ons reeds de detailtekeningen (een 15-tal).
f) U vraagt ons prijzen voor
- verluchtingsroosters
- openingsbegrenzers
- aludorpels,
die wij U op 27 augustus 1993 laten kennen!
g) Daarna wilt U een openvallend raam vervangen door een verluchtingsrooster waarvoor U onze prijs kreeg op 2 september 1993
g) Het duurt tot 9 september 1993, hetzij 3 maand na de bestelling om ons Uw kleurkeuze ramen mede te delen doch terzelfdertijd schrijft U: ‘Opgelet: schuifdeuren aan inkom: de kleur is nog niet bepaald!!'
i) Op 10 september 1993 vraagt U ons informatie omtrent de raamdorpels dewelke U van ons krijgt met een tekening op 15 september 1993.
j) Op 20 oktober 1993 vraagt U dat wij de detailtekeningen van de ramen en deuren zouden maken en op 25 oktober 1993 zouden bezorgen aan het architektenbureau.
k) Niet op 25 oktober 1993 maar vroeger namelijk op 21 oktober 1993 en vervolledigd op 22 oktober 1993 krijgt de architekt de gevraagde tekeningen.
1) Ook vraagt U ons nog 4 andere supplementen die wij U melden op 22 oktober 1993.
m) Wij blijven zonder antwoord over de al dan niet goedkeuring van onze raam-uitvoeringsdetails en nemen dan maar op eigen initiatief op 2 november 1993 telefonisch kontakt met het architektenbureau, dewelke onze tekeningen goedkeurt doch mits zekere opmerkingen.
n) Ongelooflijk maar waar!: op 3 november (1 dag nadat wijzelf om standpunt aandrongen bij de architekt over uitvoeringsdetails) stelt U ons in gebreke dat de plaatsing van de ramen nog niet is aangevangen, daar waar, zoals hierboven onbetwistbaar vaststaat, dat nog niets definitiefs was om ons toe te laten vooruit te komen in ons werk, verre van te produceren, laat staan ... plaatsen!
o) Meer zelfs: op 16 november - meer dan 5 maand na bestelling en daar waar U NOOIT hebt moeten wachten op onze informaties - krijgen wij nog te horen dat de naar buitendraaiende deuren met rolslof moeten worden uitgerust en dat de automatische schuifdeuren NIET van paniekbeslag worden voorzien (het tegenovergestelde van wat U tot dan toe altijd had voorgehouden).
p) Als U nu werkelijk meent dat het voor U voldoende en nodig is onze jonge conducteur te intimideren en onmogelijke werfverslagen voorschotelt, als U daarmee hoopt Uw verantwoordelijkheid in onze schoenen te schuiven, dan bent U toch aan het verkeerde adres.
q) Ook nog vandaag, na de hierboven beschreven feitelijkheden, durft U het aan zonder enige schroom - blijkbaar Uw stijl - , en dit vůůr dat wij de kans kregen U onze uiteindelijke beste definitieve planning mede te delen (voorzien om 12u), ons zomaar te melden dat U de werken na week 52 door derden zult laten uitvoeren.
Om al deze redenen kunnen wij Uw handelswijze en onbillijkheid, met bijkomend de financiŽle onzekerheid waarin U ons brengt, niet aanvaarden en verplicht U ons dan ook elke voortzetting omtrent Uw bestelling stop te zetten en dit tot wanneer wij met U een duidelijk schriftelijk akkoord hebben over de planning der plaatsing van de alugehelen en het wegvallen van de ten onrechte dreiging van boeteclausules, zodat bij een goede uitvoering van onze werken en bij het stipt respecteren van de af te spreken gedetailleerde plaatsingsplanning, wij de zekerheid mogen hebben sereen de werf te kunnen beŽindigen zonder vrees voor de mogelijke ‘stok achter de deur'.
Wij vragen U dan ook ons per omgaande (ten laatste 22 december 1993 - 12u) te willen bevestigen dat het Uw bedoeling wordt echt samen te werken teneinde samen de werf tot een goed einde te brengen. Onmiddellijk daarna zullen wij met U kontakt opnemen om in concreto alles tot in de puntjes akkoord te komen zoals hierboven uiteengezet.
Onder voorbehoud van al onze rechten en zonder enige nadelige erkentenis.
Met de meeste hoogachting,
NV W.
L. W.
Afgevaardigd Bestuurder"
Uit het geheel van deze brief blijkt dat de eiseres hierbij (1) aangeeft dat de werf vertraging opliep omwille van diverse omstandigheden die niet aan haar toe te schrijven zijn en (2) aandringt op een constructieve houding van de hoofdaannemer zodat zij "de zekerheid [mag] hebben sereen de werf te kunnen beŽindigen".
De zinssnede dat zij zich verplicht zag "elke voortzetting omtrent uw bestelling stop te zetten, en dit tot wanneer met U een duidelijk schriftelijk akkoord hebben over de planning der plaatsing van de alugehelen en het wegvallen van de ten onrechte dreiging van boeteclausules, zodat bij een goede uitvoering van onze werken en het stipt respecteren van de af te spreken gedetailleerde plaatsingsplanning, wij de zekerheid mogen hebben sereen de werf te kunnen beŽindigen", kan in die context niet anders uitgelegd worden dan dat de eiseres hierbij de uitvoering van de overeenkomst schorste "tot wanneer" de hoofdaannemer zijn handelwijze die een "redelijke samenwerking onmogelijk maakt" en die getuigt van een "oneerlijke manier om de machtsverhouding "hoofdaannemer-onderaannemer" uit te buiten", zou wijzigen.
Immers, de zinssnede in verband met de "stopzetting van de voorzetting van een overeenkomst, tot wanneer (...)" wijst erop dat de eiseres geenszins de overeenkomst "definitief" beoogde te beŽindigen, doch enkel tijdelijk "de voortzetting" van de overeenkomst "stopzette" totdat de verweerster een constructievere houding zou aannemen ten overstaan van haar onderaannemer.
Aangezien de initieel vooropgestelde termijn door omstandigheden te wijten aan de verweerster, met name laattijdige mededeling van noodzakelijke informatie en beslissingen vanwege de verweerster, onmogelijk kon worden gehaald, stelde de eiseres bij dit schrijven de verweerster in gebreke om op constructieve manier een gedetailleerde plaatsingsplanning uit te werken zodat de werf "sereen" beŽindigd zou kunnen worden.
Het bestreden arrest stelt dat de eiseres met deze brief "een nieuw akkoord (met name met betrekking tot wat zij de onrechte dreiging van boeteclausules noemt), wat impliceert dat zij de bestaande overeenkomst eenzijdig opzegt" (arrest, p. 6) en dat zij bij deze brief "zelf duidelijk (heeft) meegedeeld elke voortzetting te stoppen", ... "de verweerster niet in gebreke (stelt) om eventuele tekortkomingen te herstellen, maar (...) een einde (stelt) aan de contractuele relatie" (ibid.).
Door aldus in de brief van de eiseres van 21 december 1993 een "eenzijdige contractbreuk" of nog een "eenzijdige opzeg" (arrest, p. 6) door de eiseres te lezen, daar waar het slechts een tijdelijke schorsing van de uitvoering van de overeenkomst inhield, leest het arrest iets in dat stuk wat er niet in vervat ligt en miskent het mitsdien de bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
Door te oordelen dat ditzelfde schrijven geen ingebrekestelling van de verweerster inhoudt, laat het arrest na iets in dat stuk te lezen wat er wel in vervat ligt, en miskent het eveneens de bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
Tweede onderdeel
Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en 702, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Krachtens artikel 702, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de dagvaarding (...) het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering.
In haar gedinginleidende dagvaarding stelde de eiseres dat de vertraging in de uitvoering van de werken te wijten was aan fouten en tekortkomingen van de verweerster en dat de verweerster door eenzijdig een derde te belasten met de uitvoering van de werf en haar de toegang tot de werf te ontzeggen, zelf eenzijdig contractbreuk heeft gepleegd, zodat zij gehouden was tot het betalen van een schadevergoeding.
Zo liet zij in haar dagvaarding gelden:
"Aangezien niet kan worden betwist dat de uitvoering van de werf ernstige vertragingen opliep te wijten aan het achterblijven van definitieve beslissingen van hierna gedaagde of de leidend architect in verband met de keuze van profielsysteem, de keuze van kleur, de goedkeuringen van detailtekeningen.
Dat ten dien einde verzoekster verwijst naar een aangetekende ingebrekestelling van 21 december 1993 aan hierna gedaagde met opgave van alle elementen die een vertraging van de werf met zich brachten" (gedinginleidende dagvaarding van 17 februari 1994, eerste blad),
In conclusies bevestigde de eiseres dat de verweerster "niet gerechtigd (was) de overeenkomst als verbroken te beschouwen lastens (de eiseres)" en integendeel "door haar handelswijze eenzijdig contractbreuk (heeft) gepleegd" (syntheseconclusie, p. 9), dat eiseres' brief van 21 december 1993 een "ingebrekestelling" uitmaakte tegen "de onbillijke werkwijze van (de verweerster)" (syntheseconclusie, p. 8), daar de initieel vooropgestelde termijnen "onmogelijk" konden worden gehaald "door laattijdige mededeling van noodzakelijke informatie en beslissingen van (de verweerster)" (synthesebesluiten, p. 8).
Het gegeven dat de verweerster pas laattijdig beslissingen heeft getroffen en informatie doorgaf aan de eiseres en dat zij hierdoor zelf de vertraging in de uitvoering van de werf heeft veroorzaakt en derhalve geenszins gerechtigd was de overeenkomst als verbroken te beschouwen ten laste van de eiseres doch, integendeel, zelf de overeenkomst onrechtmatig had verbroken door de werf aan een derde toe te vertrouwen op grond van artikel VII van haar algemene voorwaarden, werd aldus wel degelijk door de eiseres aangevoerd als een feitelijk gegeven dat aan haar vordering tot contractuele schadevergoeding ten grondslag lag in de zin van artikel 702, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het bestreden arrest oordeelt dat "het enige, dat volgens de gerechtsdeskundige aan (de verweerster) zou kunnen verweten worden, is dat het proces van opmaken en goedkeuren van de tekeningen, van de raamgehelen en details, ietwat moeizaam is verlopen (...)" doch dat "zulks (...) geen rechtsgrond (is) voor de oorspronkelijke vordering van de eiseres" en dat de verweerster "in de gegeven omstandigheden (...) dan ook van rechtswege de maatregelen (kon) treffen die zij nodig achtte en zulks conform art. VII van haar algemene voorwaarden" (arrest, p. 7).
Door te oordelen dat de aan de verweerster verweten fouten in verband met het opmaken en goedkeuren van de tekeningen, van de raamgehelen en details geen rechtsgrond uitmaken voor de vordering van de eiseres, laat het arrest na iets in de dagvaarding en de syntheseconclusie van de eiseres te lezen wat er wel degelijk in vervat ligt en miskent het mitsdien de bewijskracht hiervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
In zoverre het arrest aldus oordeelt dat die aan de verweerster verweten tekortkomingen geen rechtsgrond voor haar vordering uitmaken, spijts het gegeven dat dit feit vermeld staat onder de middelen van eiseres' vordering in haar gedinginleidende dagvaarding waarin zij de feiten uiteenzet die aan haar vordering ten grondslag liggen, houdt het tevens een schending in van het wettelijk begrip "middelen van de vordering" zoals vervat in artikel 702, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Derde onderdeel
Schending van de artikelen 1134, 1146, 1147 en 1149 van het Burgerlijk Wetboek.
In beginsel geldt inzake contractuele aansprakelijkheid krachtens de artikelen 1146, 1147 en 1149 van het Burgerlijk Wetboek dat een partij die een fout begaat in de uitvoering van een overeenkomst, die de partijen tot wet strekt krachtens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek, ertoe gehouden is de schade die hieruit voortvloeit aan de andere partij te vergoeden.
Zoals de eiseres in haar dagvaarding en syntheseconclusie had laten gelden was de vertraging in de uitvoering van de werken te wijten aan het feit dat de verweerster laattijdig bouwdetails aan haar had bezorgd, bijkomende offertes had gevraagd en de bestelling meermaals had gewijzigd zodat met de daadwerkelijke fabricage pas op 17 december 1993 een aanvang kon worden genomen. Zij riep dan ook verweersters contractuele aansprakelijkheid in en vorderde de betaling van schadevergoeding.
Het bestreden arrest erkent enerzijds dat ook de verweerster een fout kan verweten worden namelijk "dat het proces van opmaken en goedkeuren van de tekeningen, van de raamgehelen en details, ietwat moeizaam is verlopen", doch legt anderzijds de contractuele aansprakelijkheid volledig ten laste van de eiseres, zonder na te gaan of deze, door de verweerster begane fout geen aanleiding heeft gegeven tot enige schade die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van deze tekortkoming zodat de verweerster krachtens de artikelen 1146, 1147 en 1149 van het Burgerlijk Wetboek tot schadevergoeding jegens de eiseres gehouden is.
Door aldus alleen de contractuele aansprakelijkheid van de eiseres te weerhouden, spijts de vaststelling dat ook de verweerster een contractuele tekortkoming verweten kan worden, en door niet na te gaan of deze tekortkoming geen aanleiding moet geven tot enige gehoudenheid in evenredigheid met verweersters aandeel in de aansprakelijkheid, tot vergoeding aan de eiseres van de schade die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van die tekortkomingen, schendt het arrest de in dit onderdeel geviseerde wetsbepalingen.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste middel
Eerste onderdeel
1. De appelrechter oordeelt dat:
- uit het deskundigenverslag blijkt dat de gerechtsdeskundige uiterst zorgvuldig te werk is gegaan;
- de gerechtsdeskundige alle nodige vaststellingen heeft gedaan en alle punten van zijn opdracht uitvoerig heeft uitgevoerd volgens de in het Gerechtelijk Wetboek bepaalde procedure en met eerbiediging van eenieders rechten;
- het advies van de gerechtsdeskundige op verschillende objectieve gegevens steunt en dient te worden gevolgd.
2. De appelrechter verwerpt en beantwoordt aldus het verweer van de eiseres dat de bewijswaarde van het deskundigenverslag twijfelachtig zou zijn doordat tussen de installatievergadering en het neerleggen van het eindverslag vier jaar verstreek.
Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
3. De appelrechter die zijn beslissing de overeenkomst enkel ten laste van de eiseres te ontbinden, niet steunde op de door de gerechtsdeskundige aangenomen incompetentie van een van de werkneemsters van de eiseres, was niet gehouden te antwoorden op het niet meer dienstig verweer van de eiseres dat deze stelling van de gerechtsdeskundige ongemotiveerd zou zijn.
Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
4. De appelrechter oordeelt dat:
- zelfs indien aan de verweerster iets zou kunnen worden verweten, het mogelijk was een uitstel te verlenen om haar de kans te geven haar verbintenissen na te komen;
- de eiseres de overeenkomst eenzijdig verbrak zonder voorafgaande ingebrekestelling van de verweerster, zodat de voorafgaande chronologie der feiten dan ook geen belang vertoont.
5. Gelet op dit oordeel, diende de appelrechter niet meer te antwoorden op het niet meer dienstig verweer van de eiseres dat de gerechtsdeskundige geen gevolgen verbond aan de door hem lastens de verweerster aangenomen tekortkoming en dat de gerechtsdeskundige niet inging op de vaststellingen van een gerechtsdeurwaarder inzake de vooruitgang van de werken.
Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
6. Het onderdeel dat er van uitgaat dat de appelrechter oordeelt dat het deskundigenverslag volledige bewijswaarde heeft tot bewijs van het tegendeel, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag.
Tweede middel
Eerste onderdeel
7. De brief van 21 december 1993 van de eiseres aan de verweerster, waarvan de eiseres een voor eensluidend verklaard afschrift overlegt, vermeldt: "Om al deze redenen kunnen wij Uw handelswijze en onbillijkheid, met bijkomend de financiŽle onzekerheid waarin U ons brengt, niet aanvaarden en verplicht U ons dan ook elke voortzetting omtrent Uw bestelling stop te zetten en dit tot wanneer wij met U een duidelijk schriftelijk akkoord hebben over de planning der plaatsing van de alugehelen en het wegvallen van de ten onrechte dreiging van boeteclausules, (...)".
8. Het arrest bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de ontbinding alleen ten laste van de eiseres toelaat en steunt niet op een opzegging van de overeenkomst.
In zoverre het onderdeel opkomt tegen de uitlegging van de brief van 21 december 1993 als een opzegging van de overeenkomst, komt het op tegen een overtollige reden.
In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
9. De appelrechter oordeelt dat:
- de eiseres in haar brief van 21 december 1993 meldt dat zij elke voortzetting van de bestelling stopzet en een nieuw akkoord wenst met betrekking tot wat zij de onterechte dreiging met boeteclausules noemt, hetgeen inhoudt dat zij de bestaande overeenkomst eenzijdig "opzegt";
- de eiseres de verweerster aldus niet in gebreke stelt eventuele tekortkomingen te herstellen en slechts bereid is de contractuele relatie te herstellen indien de verweerster akkoord gaat met punten, die oorspronkelijk niet waren overeengekomen.
10. De appelrechter geeft hiermede te kennen dat de brief van 21 december 1993 moet worden uitgelegd als een eenzijdige verbreking van de overeenkomst door de eiseres, zonder ingebrekestelling.
Aldus geeft het arrest van die brief een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.
Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.
Tweede onderdeel
11. Met de reden dat de omstandigheid dat het proces van opmaken en goedkeuren van de tekeningen, van de raamgehelen en details, ietwat moeizaam is verlopen, "geen rechtsgrond is voor de oorspronkelijke vordering" van de eiseres, oordeelt de appelrechter in de gehele context van het arrest niet dat de vordering van de eiseres niet op die rechtsgrond steunt, maar wel dat die omstandigheid de rechtsgrond van de vordering van de eiseres niet verantwoordt.
Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag.
Derde onderdeel
12. Krachtens artikel 1146 van het Burgerlijk Wetboek, is schadevergoeding pas verschuldigd wanneer de schuldenaar in gebreke is zijn verbintenis na te komen, behalve indien hetgeen de schuldenaar zich verbonden heeft te geven of te doen, niet kon gegeven of gedaan worden dan binnen een bepaalde tijd, die hij heeft laten voorbij gaan.
13. Krachtens artikel 1184, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet de ontbinding van een wederkerige overeenkomst wegens wanprestatie in rechte worden gevorderd. Die regel staat er niet aan in de weg dat een contractspartij in een wederkerige overeenkomst op eigen gezag en op eigen risico beslist haar verbintenissen niet uit te voeren en kennis geeft aan de wederpartij dat zij de overeenkomst als beŽindigd beschouwt.
De rechtmatigheid van deze eenzijdige beslissing wordt ter beoordeling aan de rechter voorgelegd bij een latere vordering tot gerechtelijke ontbinding.
De rechter die over die gerechtelijke ontbinding beslist, dient bij het beoordelen van de gevolgen van die ontbinding en van de rechten die de beide partijen kunnen laten gelden, te oordelen of in acht genomen de wanprestatie van haar wederpartij, de contractspartij een fout heeft begaan door eenzijdig de overeenkomst als beŽindigd te beschouwen.
De contractspartij begaat hierbij een fout wanneer de wanprestatie van de wederpartij op zich niet van aard was een gerechtelijke ontbinding te rechtvaardigen of wanneer de wederpartij niet in gebreke werd gesteld in zake de door haar begane wanprestatie en een ingebrekestelling nog een nuttig gevolg kon hebben.
14. De rechter die met toepassing van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek een wederkerige overeenkomst wegens de wanprestatie van de beide partijen ontbonden verklaart, moet de schade, waarop iedere partij recht heeft wegens het niet-nakomen door de andere partij van haar verbintenissen, bepalen in evenredigheid met de ernst van de respectieve tekortkomingen.
De omstandigheid dat beide partijen hun verbintenissen niet zijn nagekomen, heft hun aansprakelijkheid niet op, noch hun gehoudenheid, in evenredigheid met hun aandeel in die aansprakelijkheid, tot vergoeding aan de andere partij van de schade die het onmiddellijk en rechtstreeks gevolg is van hun tekortkomingen.
15. De appelrechter oordeelt dat:
- de verweerster zich niet schuldig maakte aan een toerekenbare tekortkoming die een gerechtelijke ontbinding zou rechtvaardigen;
- zelfs indien aan de verweerster iets zou kunnen worden verweten, de eiseres de verweerster desbetreffend had dienen in gebreke te stellen, teneinde haar de kans te geven haar verbintenissen na te komen;
- ook uit het deskundigenverslag volgt dat aan de verweerster enkel zou kunnen worden verweten dat het proces van opmaken en goedkeuren van de tekeningen, van de raamgehelen en details, ietwat moeizaam is verlopen;
- de eiseres de overeenkomst eenzijdig "opzegde", zonder de verweerster voorafgaandelijk in gebreke te hebben gesteld.
Verder beslist hij, met bevestiging van het bestreden vonnis, dat de overeenkomst enkel ten laste van de eiseres dient te worden ontbonden.
16. De appelrechter die aldus niet alleen oordeelt dat de door hem ten laste van de verweerster aangenomen tekortkoming geen gerechtelijke ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, maar ook dat de eiseres naliet de verweerster in verband met die tekortkoming in gebreke te stellen, hetgeen nuttig had kunnen gebeuren, geeft te kennen dat bedoelde tekortkoming geen aanleiding kon geven tot schadevergoeding en diende dan ook niet na te gaan of zelfde tekortkoming geen aanleiding diende te geven tot enige gehoudenheid in evenredigheid met het aandeel van de verweerster in de contractuele aansprakelijkheid.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres in de kosten.
De kosten zijn begroot op de som van 853,42 euro jegens de eisende partij en op de som van 165,79 euro jegens de verwerende partij.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Robert Boes, als voorzitter, afdelings-voorzitter Ernest WaŻters, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare terechtzitting van 16 februari 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Robert Boes, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Mestdagh A. Smetryns
E. Stassijns E. WaŻters R. Boes





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be