bouwrecht - tienjarige aansprakelijkheid - laattijdig


© CASSIER & VAN MALDEGHEM - klik voor meer info of voeg ons toe op linkedin



Cass. 29 september 2006


Samenvatting: De tienjarige termijn binnen dewelke de aannemer en de architect aansprakelijk zijn voor het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van bouwwerken ten gevolge van gebreken in de constructie of de ongeschiktheid van de grond is een fatale termijn die niet geschorst of gestuit kan worden (1). (1) Cass., 17 feb. 1989, AR 6125, nr 342.

Integrale tekst:

GEMEENTE NIJLEN, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met burelen te 2560 Nijlen, in het Gemeentehuis, Kerkstraat 4,
eiseres,

tegen

1. AANNEMINGEN VAN WELLEN, naamloze vennootschap, met zetel te 2950 Kapellen, Klinkaardstraat 198,
verweerster,

2. GRONTMIJ BELGROMA, naamloze vennootschap, met zetel te 2800 Mechelen, Hanswijkvaart 51,
verweerster,

en ten aanzien van

3. DE CLERCQ AANNEMINGEN BOUW- EN WEGENBOUW, in het kort DCA, met zetel te 2340 Beerse, Lilsedijk 50,
4. FIDEA, naamloze vennootschap, met zetel te 2018 Antwerpen, Van Eycklei 14,
5. BUREAU DE CONTROLE TECHNIQUE POUR LA CONSTRUCTION, coöperatieve vennootschap, in het kort SECO, met zetel te 1040 Brussel, Aarlenstraat 53 B.2,
tot bindendverklaring opgeroepen partijen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 19 november 1996 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
Raadsheer Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De feiten kunnen blijkens het verzoekschrift in cassatie als volgt worden samengevat:
1. in opdracht van de eiseres voerde de rechtsvoorganger van de eerste verweerster in de periode 1970-1971 wegenis- en rioleringswerken uit op basis van de plans en de bestekken van de tweede verweerster;
2. de werken werden voorlopig opgeleverd op 15 oktober 1971 en definitief op 22 maart 1972;
3. op 21 augustus 1978 deed zich een eerste verzakking voor aan de bezoekkamer 1K910 van de riolering;
4. na aanstelling van een deskundige in kort geding, liet de eiseres, op 22 mei 1980, de eerste verweerster dagvaarden tot betaling van de herstellingskosten en vergoeding van de bijkomende schade ingevolge de wegomleiding;
5. op 18 september 1980 deed zich een tweede verzakking voor, ditmaal aan de bezoekkamer 4K89 van de riolering;
6. naar aanleiding van deze tweede verzakking voerde de eerste verweerster begin 1981 herstellingswerken uit;
7. in februari 1983 deed zich een derde verzakking voor, zij het opnieuw aan de bezoekkamer 1K910;
8. bij conclusie van 23 september 1988 breidde de eiseres haar vordering uit, onder meer met het oog op vergoeding van de schade ingevolge de tweede verzakking; bovendien richtte zij haar vordering nu ook tegen de tweede verweerster.

III. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde bepalingen van de Grondwet;
- de artikelen 1319, 1320, 1322, 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek;
- de artikelen 18, 807, 821, 1138, 3°, en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek;
- het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat een afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten en handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.
Aangevochten beslissingen
De eiseres komt op tegen de bestreden beslissing in zoverre de appelrechters daarin oordelen dat de door de eiseres tegen de eerste verweerster ingestelde vorderingen laattijdig en dienvolgens onontvankelijk zijn, op grond van de volgende motieven:
"(...) dat de tienjarige termijn voorzien in de artikelen 1792 en 2270 BW niet enkel een termijn is binnen dewelke de gebreken aan de constructie dienen aan het licht te komen, doch tevens een termijn binnen dewelke de daarop gebaseerde vordering dient ingeleid te worden;
(...) dat (...) het proces-verbaal van voorlopige oplevering de dato 15/10/1971 te dezen het aanvangspunt vormt voor de tienjarige termijn, zodat deze verstreek op 15/10/1981;
(...) dat de vordering van (de eiseres) in verband met het eerste schadegeval de dato 21/8/1978, nl. de verzakking van de bezoekkamer 1K910 en rioleringsbuizen ter hoogte van de aansluiting Ringstraat-Stationsweg werd ingesteld bij dagvaarding de dato 22/5/1980, zegge dus ongetwijfeld tijdig;
(...) dat de vordering in verband met de verzakking van de bezoekkamer 4K89 in de Stationsweg tussen de Ringstraat en de Landstraat de dato 18/9/1980, werd ingesteld bij conclusies neergelegd op 23/9/1988, zegge dus ruimschoots buiten de termijn van tien jaar die verstreek op 15/10/1981;
(...) dat (de eiseres) niet kan gevolgd worden in haar stellingname dat haar aanspraken m.b.t. dit tweede schadegeval virtueel begrepen zijn in de bij het gedinginleidend exploot de dato 22/5/1980 lastens de (rechtsvoorganger van de eerste verweerster) uitgebrachte vordering die uitsluitend slaat op het eerste schadegeval dat zich in 1978 manifesteerde ter hoogt van de Ringstraat;
dat een tijdige instelling van een vordering op grond van de artikelen 1792 en 2270 B.W. de opdrachtgever immers nog niet toelaat om deze vordering na het verstrijken van de tienjarige termijn uit te breiden tot gebreken die op andere plaatsen zouden zijn ontstaan, weze het dat deze gebreken van dezelfde aard zouden zijn en eenzelfde oorzaak zouden hebben dan deze die het voorwerp uitmaken van de oorspronkelijke vordering;
dat opdat zou kunnen aanvaard worden dat de vordering aangaande deze nieuwe gevolgen virtueel begrepen was in de oorspronkelijke vordering, vereist is dat door de opdrachtgever in deze oorspronkelijke vordering het recht wordt voorbehouden om nog andere bedragen te vorderen voortspruitende uit andere schadegevallen of nieuwe schade;
dat echter in de oorspronkelijke vordering enkel sprake is van de in de loop van het jaar 1978 ter hoogt van de Ringstraat gelocaliseerde verzakkingen van de bezoekkamer en rioolbuizen en in de dagvaarding nergens enig voorbehoud werd geformuleerd voor mogelijke toekomstige verzakkingen op andere plaatsen of zelfs voor enige andere schade dan deze voortspruitende uit de bewuste verzakkingen in 1978 ter hoogte van de Ringstraat;
dat uit het enkel feit dat de latere verzakking, ditmaal aan de bezoekschouw 4K89 gelegen aan de Stationssteenweg tussen de Ringstraat en de Landstraat, een nieuw gevolg zou uitmaken van éénzelfde conceptie- en uitvoeringsfout binnen het kader van éénzelfde aanbesteding uitgevoerd door éénzelfde aannemer, nl. (de rechtsvoorganger van eerste verweerster), en goedgekeurd door één enkel PV van voorlopige oplevering, nog niet kan worden besloten dat het nieuwe gevolg van de beweerde zelfde contractuele fouten virtueel begrepen was in de oorspronkelijke dagvaarding;
dat, het weze herhaald, de dagvaarding van 22/5/1980 uitsluitend en alleen de schade betrof als gevolg van de verzakking van de onderzoeksschouw aan het kruispunt van de Stationssteenweg en de Ringstraat en nergens sprake is van enig voorbehoud voor de andere delen van de uitgevoerde werken of van een voorbehoud om andere bedragen te vorderen dan de bedragen van 1.115.000 BEF en 125.000 BEF met aankleven, zijnde precies de bedragen die door expert Van Langendonck werden weerhouden om de schade ontstaan bij de eerste verzakking van de bezoekkamer 1K910 te herstellen;
dat bijgevolg de vordering ingesteld op 23/9/1988 en slaande o.m. op de tweede verzakking van de bezoekkamer 4K89 als tardief moet worden beschouwd;
(...) dat wat de vordering in verband met de 'nieuwe' verzakking van de bezoekkamer 1K910 in februari 1983 betreft, moet worden opgemerkt dat in beginsel een nieuwe garantieperiode van tien jaar zou kunnen beginnen lopen na de uitvoering van de herstelling in de periode oktober 1978 februari 1979, die als een groot werk in de zin van artikel 2270 moet worden aangemerkt, doch hierbij onmiddellijk moet worden vastgesteld dat deze herstelling niet door de oorspronkelijke aannemer NV Blondé & Van Steenbeeck doch door een derde, NV De Clercq Aannemingen, werd uitgevoerd, zodat geen sprake kan zijn van een repetitieve garantieverbintenis in hoofde van de oorspronkelijke aannemer;
(...) dat wat de vordering, in verband met de 43 andere bezoekkamers, de rioleringen en het wegdek zelf betreft, de vordering van (de eiseres) om dezelfde redenen als reeds hoger aangehaald met betrekking tot de tweede verzakking vastgesteld op 18/9/1980, als tardief moet worden afgewezen;
(...) dat samengevat de bij conclusie de dato 23/9/1988 door (de eiseres) ingestelde vordering als laattijdig moet worden beschouwd voor zover ze strekt tot schadeherstel van die gebreken waarvan geen sprake was in de inleidende dagvaarding en waarvoor ook geen enkel voorbehoud werd geformuleerd".

Grieven

Eerste onderdeel

De aannemer en de architect zijn overeenkomstig de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek gedurende tien jaar aansprakelijk voor het gehele of gedeeltelijke tenietgaan van bouwwerken ten gevolge van gebreken in de constructie of de ongeschiktheid van de grond. Een vordering in dit verband dient dan ook op straffe van verval in principe binnen deze termijn van tien jaar te worden ingesteld.
In de naar aanleiding van een welbepaald schadegeval door de bouwheer tegen de aannemer en/of de architect ingestelde vordering op grond van een welbepaalde constructiefout, zijn evenwel ook de vorderingen met betrekking tot de nadien ontstane schadegevallen virtueel begrepen, wanneer deze nieuwe schadegevallen slechts de nieuwe gevolgen zijn van dezelfde contractuele tekortkoming als deze die aanleiding gaven tot de initieel ingestelde vordering.
Het tijdstip waarop dergelijke nieuwe schadegevallen zich voordoen is met ander woorden irrelevant bij de beoordeling van het tijdige karakter van de desbetreffende vorderingen, in zoverre de initiële vordering binnen de termijn van tien jaar werd ingesteld: de bouwheer kan aldus ook de vergoeding vorderen van schade die zich heeft voorgedaan na de in de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde termijn.
Het is a fortiori evenmin vereist dat een vordering die betrekking heeft op een schadegeval dat een louter gevolg is van dezelfde contractuele fout als deze die aanleiding gaf tot de initiële vordering, wordt geconcretiseerd binnen de in de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijn, althans in zoverre de initiële vordering binnen die termijn werd ingesteld.
Te dezen vorderde de eiseres bij gerechtsdeurwaardersexploot van 22 mei 1980 van de eerste verweerster de vergoeding van de schade die het gevolg was van een verzakking die zich op 21 augustus 1978 had voorgedaan.
De appelrechters stellen dienaangaande vast dat deze vordering in elk geval tijdig werd ingesteld, nu de termijn van tien jaar pas verstreek op 15 oktober 1981.
De eiseres kon in haar gedinginleidend exploot nog geen gewag maken van andere verzakkingen dan deze die zich op 21 augustus 1978 had voorgedaan, nu de latere verzakkingen dateren van nà de datum van de op 22 mei 1980 aan de eerste verweerster betekende dagvaarding. De appelrechters stellen immers uitdrukkelijk vast dat de tweede verzakking plaatsgreep op 18 september 1980 en de derde verzakking in februari 1983.
In het bestreden arrest wordt voorts geenszins ontkend dat de schadegevallen waaromtrent de eiseres in haar op 23 september 1988 ingediende conclusie uitbreidende vorderingen instelde, slechts de nieuwe gevolgen waren van dezelfde contractuele tekortkoming als deze die aanleiding gaf tot de initieel ingestelde vordering.
De appelrechters merken immers op "dat deze gebreken van dezelfde aard zouden zijn een zelfde oorzaak zouden hebben dan deze die het voorwerp uitmaken van de oorspronkelijke vordering" en verwijzen naar het "feit dat de latere verzakking, ditmaal aan de bezoekschouw 4K89 gelegen aan de Stationssteenweg tussen de Ringstraat en de Landstraat, een nieuw gevolg zou uitmaken van éénzelfde conceptie- en uitvoeringsfout binnen het kader van éénzelfde aanbesteding uitgevoerd door éénzelfde aannemer, nl. (rechtsvoorganger van de eerste verweerster), en goedgekeurd door één enkel proces-verbaal van voorlopige oplevering".
De loutere omstandigheid dat in het gerechtsdeurwaardersexploot van 22 mei 1980 "nergens enig voorbehoud werd geformuleerd voor mogelijke toekomstige verzakkingen op andere plaatsen of zelfs voor enige andere schade dan deze voortspruitende uit de bewuste verzakkingen in 1978 ter hoogte van de Ringstraat", impliceert op zich niet dat eventuele toekomstige vorderingen niet virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen zouden zijn.
Uit de loutere omstandigheid dat geen formeel "voorbehoud" wordt gevorderd, kan dan ook niet wettig worden afgeleid dat eventuele toekomstige vorderingen niet virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen zouden zijn. Het formuleren van een voorbehoud voor eventuele toekomstige schade kan als zodanig overigens geen invloed uitoefenen op de rechtsmacht van de rechter, aangezien het instellen van een ontvankelijke rechtsvordering in principe vereist dat de eiser, overeenkomstig artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek, doet blijken van een reeds verkregen en dadelijk belang.
De bedenking dat de door de eiseres krachtens artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek geformuleerde eisuitbreiding moet worden beschouwd als een van de initiële eis onderscheiden vordering, impliceert voorts niet dat deze eisuitbreiding geen betrekking zou hebben op vorderingen die virtueel begrepen waren in de gedinginleidende dagvaarding.
De appelrechters stellen dan ook niet wettig vast dat de eisuitbreiding die de eiseres in haar op 23 september 1988 ingediende conclusie formuleerde, laattijdig zou zijn.
Het hof van beroep oordeelt aldus niet naar recht dat de loutere omstandigheid dat de eiseres geen "voorbehoud" formuleerde in haar gedinginleidende dagvaarding, impliceert dat de vorderingen, geformuleerd in haar op 23 september 1988 ingediende conclusie, niet virtueel waren begrepen in de gedinginleidende dagvaarding en dienvolgens laattijdig waren (schending van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek, 18, 807 en 1042 van het Gerechtelijk Wetboek).
Door voorts te oordelen dat de vorderingen die de eiseres in haar op 23 september 1988 ingediende conclusie instelde, niet virtueel begrepen zouden zijn in de gedinginleidende dagvaarding van 22 mei 1980, schrijven de appelrechters aan deze dagvaarding bovendien een inhoud toe die deze niet bevat, en miskennen ze de bewijskracht van deze dagvaarding (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).
In zoverre de appelrechters oordelen dat de eiseres, door in haar gedinginleidende dagvaarding slechts de vergoeding te vorderen van de schade die het gevolg is van de eerste verzakking, afstand zou hebben gedaan van haar recht om ook de vergoeding te vorderen van de schade van latere verzakkingen, leidt het hof van beroep voorts een afstand van recht af uit feiten en omstandigheden die een dergelijke gevolgtrekking niet wettig toelaten.
Een afstand van recht moet immers strikt worden uitgelegd en kan slechts worden afgeleid uit feiten en handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. De loutere omstandigheid dat geen voorbehoud wordt geformuleerd voor toekomstige schade, kan niet wettig worden geïnterpreteerd als een afstand van recht met betrekking tot die toekomstige schade (schending van artikel 821 van het Gerechtelijk Wetboek en van het algemeen rechtsbeginsel dat inhoudt dat een afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en slechts kan worden afgeleid uit feiten en handelingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn).

Tweede onderdeel

De termijn van tien jaar binnen welke de architecten en de aannemers krachtens de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk zijn voor een gebrek in de bouw dat ernstig genoeg is om de stevigheid ervan in gevaar te brengen, gaat niet alleen in na de oplevering van de oorspronkelijke aanneming, maar ook na de oplevering van de herstellingen die als grote werken moeten worden aangemerkt.
De appelrechters merken met betrekking tot de door de NV De Clercq naar aanleiding van de eerste verzakking aan "bezoekschouw 1K910" uitgevoerde herstelwerken op "dat wat de vordering in verband met de 'nieuwe' verzakking van de bezoekkamer 1K910 in februari 1983 betreft, moet worden opgemerkt dat in beginsel een nieuwe garantieperiode van tien jaar zou kunnen beginnen lopen na de uitvoering van de herstelling in de periode oktober 1978 februari 1979, die als een groot werk in de zin van artikel 2270 moet worden aangemerkt, doch hierbij onmiddellijk moet worden vastgesteld dat deze herstelling niet door de oorspronkelijke aannemer NV Blondé & Van Steenbeeck doch door een derde, NV De Clercq Aannemingen, werd uitgevoerd, zodat geen sprake kan zijn van een repetitieve garantieverbintenis in hoofde van de oorspronkelijke aannemer" (derde-laatste alinea van p. 11 j° de tweede alinea van p. 4 van het bestreden arrest).
De eiseres had in haar eerste appelconclusie in dit verband evenwel niet alleen gewezen op de door de NV De Clercq naar aanleiding van de eerste verzakking uitgevoerde herstelwerken, maar had zich tevens beroepen op de herstelwerken die naar aanleiding van de tweede verzakking door de NV Blondé & Vansteenbeeck waren uitgevoerd. Dienaangaande voerde de eiseres immers aan dat er binnen de voormelde termijn van tien jaar grote herstelwerken werden uitgevoerd die een termijn van tien jaar deden ingaan en die werden "uitgevoerd voor niet minder dan 2.061.124 BEF (zie de fakturen naar aanleiding van de eerste en tweede verzakking)" (randnummer 8 op p. 15 van de namens eiseres ingediende "conclusie in hoger beroep"). In haar aanvullende beroepsconclusie voerde de eiseres voorts het volgende aan:
"Volgende grote herstellingen werden uitgevoerd,
- oktober 1978 februari 1979 voor 1.419.470 BEF (...);
- voorjaar 1981, facturatie door Blondé en Van Steenbeeck op 06.04.1981 voor 641.654 BEF (...);
- mei 1984 door de NV Blondé en Van Steenbeeck en door de NV De Clercq voor 806.641 BEF (...);
Het is verworven dat de 10-jarige aansprakelijkheidstermijn voor aannemers en architekten begint te lopen telkens vanaf een nieuwe herstelling" (p. 5 van de namens de eiseres ingediende "Aanvullende Beroepskonklusie").
Te dezen werd tussen partijen niet betwist dat de herstelwerken naar aanleiding van de tweede verzakking vóór het verstrijken van de oorspronkelijke tienjarige termijn op 15 oktober 1981, namelijk in begin 1981, door de NV Blondé & Vansteenbeeck waren uitgevoerd. De appelrechters wijzen er bij de weergave van het feitenrelaas dan ook uitdrukkelijk op dat "(n)aar aanleiding van de (...) tweede verzakking (...) in begin 1981 door de NV Blondé & Van Steenbeeck op verzoek van (de eiseres) herstellingswerken (werden) uitgevoerd met als kostprijs 641.654 BEF gefactureerd op 6/4/1981" (medio p. 4 van het bestreden arrest).
De appelrechters oordelen dan ook niet wettig dat de in begin 1981 door de NV Blondé & Van Steenbeeck uitgevoerde herstelwerken naar aanleiding van de tweede verzakking geen aanleiding zouden kunnen geven tot een nieuwe garantieperiode van tien jaar (schending van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek), minstens gaan ze ten onrecht niet in op de desbetreffende vordering van de eiseres met betrekking tot de door de NV Blondé & Van Steenbeeck uitgevoerde herstelwerken naar aanleiding van de tweede verzakking (schending van artikel 1138, enig lid, sub 3°, van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl ze evenmin de aangehaalde aanvoeringen van de eiseres in dit verband beantwoorden (schending van artikel 149 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde bepalingen van de Grondwet).
In zoverre de appelrechters oordelen dat de eiseres in haar appelconclusies slechts melding maakt van door de NV De Clercq uitgevoerde herstelwerken, die in aanmerking zouden kunnen worden genomen als vertrekpunt van een tienjarige termijn, schrijven ze aan deze appelconclusies een inhoud toe die deze niet bevat, nu de eiseres in randnummer 8 op p. 15 van haar (eerste) appelconclusie en op p. 5 van haar "Aanvullende Beroepskonklusie" zich uitdrukkelijk ook beriep op herstelwerken die naar aanleiding van de tweede verzakking door de NV Blondé & Van Steenbeeck werden uitgevoerd. Hierdoor wordt dan ook de bewijskracht van die appelconclusies miskend (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen
- de artikelen 1792, 2244 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek.
Aangevochten beslissingen
De eiseres komt op tegen de bestreden beslissing in zoverre de appelrechters daarin oordelen dat de door de eiseres tegen de tweede verweerster ingestelde vorderingen laattijdig en dienvolgens onontvankelijk zijn, op grond van de volgende motieven:
" (...) dat de eis van (de eiseres) gericht tegen (de tweede verweerster) voor het eerst ingesteld werd bij conclusie neergelegd op 23/9/1988, zegge buiten de tienjarige termijn van artikel 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek die een fatale termijn voor reclamaties van de bouwheer uitmaakt;
dat inderdaad waar terzake de voorlopige oplevering, die inzake overheidsopdrachten als aanvaarding en als beginpunt van de tienjarige aansprakelijkheid geldt, dagtekent van 15/10/1971, (de eiseres) de vordering op basis van genoemde artikelen had moet instellen ten laatste op 15/10/1981;
(...) dat ten onrechte door (de eiseres) de stelling wordt verdedigd dat deze vervaltermijn niet zou verstreken zijn om reden (dat) op 23/10/1980 de NV Blondé & Van Steenbeeck een dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring uitbracht lastens (de tweede verweerster) en door deze dagvaarding de gezegde termijn zou gestuit zijn in het voordeel van (de eiseres);
dat de tienjarige verjaringstermijn geen verjarings- maar een vervaltermijn is die niet vatbaar is voor schorsing of stuiting;
dat de vordering van de bouwheer tegen de aannemer en/of architect in ieder geval binnen deze termijn moest worden ingesteld en het hof moet vaststellen dat voor 23/9/1988 iedere vordering ten gronde vanwege de bouwheer tegen (de tweede verweerster) ontbreekt;
dat de eis van (de eiseres) in zoverre gericht tegen (de tweede verweerster) gevolgelijk onontvankelijk is".
Grieven
De aannemer en de architect zijn overeenkomstig de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek gedurende tien jaar aansprakelijk voor het gehele of gedeeltelijke tenietgaan van bouwwerken ten gevolge van gebreken in de constructie of de ongeschiktheid van de grond. Een vordering in dit verband dient op straffe van verval in principe binnen deze termijn van tien jaar te worden ingesteld.
Het instellen van een vordering tegen de aannemer, te dezen de NV Blondé & Van Steenbeeck, rechtsvoorganger van de eerste verweerster, impliceert dat ook (dat) de architect, te dezen de tweede verweerster, zich niet meer kan beroepen op de in de aangehaalde artikelen 1792 en 2270 vermelde termijn, in zoverre binnen deze termijn tegen de architect in dit verband een vordering werd ingesteld.
De tweede verweerster werd te dezen vóór het verstrijken van de tienjarige termijn, namelijk in oktober 1980, door de aannemer in tussenkomst en vrijwaring gedagvaard. Deze vrijwaringsvordering had betrekking op dezelfde gebreken als deze die leidden tot de gedinginleidende dagvaarding van 22 mei 1980.
De appelrechters oordelen niet wettig dat de tweede verweerster met betrekking tot de bewuste grove gebreken vóór het verval van de termijn van tien jaar werd gedagvaard.
De omstandigheid dat de eiseres haar concrete eis tegen de tweede verweerster slechts nà het verstrijken van de termijn van tien jaar instelde, is hierbij irrelevant, nu de betwisting nopens de aansprakelijkheid van de tweede verweerster voor grote gebreken tijdig - zij het door de eerste verweerster - bij de rechtbank aanhangig werd gemaakt.
De appelrechters verklaren de door de eiseres tegen de tweede verweerster ingestelde vordering dan ook niet wettig onontvankelijk (schending van de artikelen 1792, 2244 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek).

IV. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Gronden van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel
1. De verweersters werpen op dat het onderdeel niet ontvankelijk is omdat het opkomt tegen de feitelijke beoordeling van de appelrechters dat de in conclusie geformuleerde vordering niet "virtueel" begrepen is in de oorspronkelijk in de dagvaarding gestelde vordering.
2. Het Hof vermag na te gaan of de appelrechters, op grond van de feitelijke elementen die zij aangeven, wettig hebben kunnen afleiden dat een vordering in conclusie geformuleerd "virtueel" niet begrepen is in de oorspronkelijk in de dagvaarding gestelde vordering.
3. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
4. De eerste verweerster werpt vervolgens op dat het onderdeel niet ontvankelijk is nu het niet tot cassatie kan leiden omdat de beslissing van de appelrechters steunt op de zelfstandige niet-bekritiseerde reden dat de schade waarvoor de eiseres bijkomend vergoeding vordert zich heeft voorgedaan op een andere plaats dan de schade waarvan vergoeding werd gevraagd in de dagvaarding.
5. De omstandigheid dat de schade waarvoor de eiseres in conclusies vergoeding heeft gevraagd zich heeft voorgedaan op een andere plaats dan die waar de schade waarvan sprake in de dagvaarding zich heeft voorgedaan, is slechts een van de feitelijke elementen waarop de appelrechters steunen om te beslissen dat de vordering niet virtueel in de oorspronkelijke vordering begrepen is.
Het betreft derhalve geen zelfstandige reden die de beslissing draagt.
6. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
7. De eerste verweerster werpt tenslotte op dat het onderdeel niet ontvankelijk is gezien het een onderzoek van feiten vraagt in zoverre wordt aangevoerd dat de vordering betrekking heeft op nieuwe gevolgen van dezelfde welbepaalde constructiefout.
8. Het onderdeel verwijt het arrest dat het niet heeft onderzocht of de vordering betrekking heeft op nieuwe gevolgen van dezelfde constructiefout bij het beoordelen van het al dan niet in de oorspronkelijke vordering "virtueel" begrepen zijn van de nadien bij conclusie ingestelde vordering.
Het onderzoek van die grief vraagt geen onderzoek van feiten.
9. De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.
Onderdeel zelf
10. Krachtens de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek, zijn de aannemer en de architect gedurende tien jaar aansprakelijk voor het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van bouwwerken ten gevolge van gebreken in de constructie of de ongeschiktheid van de grond.
11. De termijn in die artikelen bepaald, is een fatale termijn die niet geschorst noch gestuit kan worden.
12. Een binnen die termijn ingestelde vordering onttrekt aan het verval ook een vordering ingesteld op grond van nieuwe gevolgen, voor een bepaald bouwwerk, van eenzelfde gebrek en van eenzelfde contractuele tekortkoming in de conceptie of de uitvoering.
Hierbij is vereist dat uit de tijdig ingestelde vordering blijkt wat zij omvat.
13. Het staat aan de feitenrechter te beslissen of de bouwheer zijn initiële vordering beperkt heeft tot de schade die hij in de dagvaarding vermeldt in verband met een bepaald bouwwerk, dan wel of hij ook eventuele navolgende schade beoogde aan dat bouwwerk of aan bouwwerken die eveneens aan de aannemer of de architect waren toevertrouwd in eenzelfde contractueel kader.
De feitenrechter kan in zijn beoordeling betrekken of de eiser al dan niet een voorbehoud had geformuleerd in de oorspronkelijke dagvaarding en of de vordering alleen betrekking had op een bepaald bouwwerk en niet op een ander bouwwerk dat, op grond van eenzelfde overheidsopdracht, op een andere plaats was gebouwd door dezelfde medecontractant.
De omstandigheid dat de nieuwe schade zich op een andere plaats situeert dan de schade waarvoor oorspronkelijk vergoeding wordt gevorderd of dat de eiser bij het instellen van de oorspronkelijke vordering geen voorbehoud heeft gemaakt voor mogelijke andere schade, sluit evenwel op zichzelf niet uit dat de nieuwe vordering nieuwe gevolgen betreft, voor een bepaald bouwwerk, van eenzelfde gebrek en van eenzelfde contractuele tekortkoming in de conceptie of de uitvoering.
14. De appelrechters stellen vast:
- de schade waarvoor vergoeding wordt gevorderd in de dagvaarding van de eiseres heeft betrekking op een verzakking in 1978 van een bezoeksschouw, gesitueerd in de Ringstraat;
- de schade waarvoor achteraf vergoeding wordt gevorderd in de conclusie van de eiseres heeft betrekking op een verzakking in 1980 van een bezoeksschouw, gesitueerd in de Stationstraat;
- beide bezoeksschouwen werden uitgevoerd door de rechtsvoorgangster van de eerste verweerster in het kader van de wegenis- en rioleringswerken aan de Stationsstraat en de Emblemsesteenweg te Kessel volgens plans en bestekken van de tweede verweerster;
- in de dagvaarding werd nergens enig voorbehoud geformuleerd voor mogelijke verzakkingen op andere plaatsen of zelfs voor enige andere schade dan deze voortspruitende uit de verzakkingen in 1978 ter hoogte van de Ringvaart die het voorwerp uitmaken van de oorspronkelijke vordering;
- de schade die het voorwerp uitmaakt van de navolgende vordering situeert zich op een andere plaats dan de schade die het voorwerp uitmaakt van de oorspronkelijke vordering.
15. Op grond hiervan oordelen de appelrechters dat de vordering ingesteld bij conclusie op 23 september 1988 niet begrepen is in de vordering ingesteld bij dagvaarding van 22 mei 1980 en derhalve tardief is.
Door aldus te oordelen ongeacht dat "deze gebreken van dezelfde aard zouden zijn en eenzelfde oorzaak zouden hebben dan deze die het voorwerp uitmaken van de oorspronkelijke vordering" en dat de nieuwe schade "een nieuw gevolg zou uitmaken van éénzelfde conceptie- of uitvoeringsfout binnen het kader van éénzelfde aanbesteding, uitgevoerd door éénzelfde aannemer (...) en goedgekeurd door één enkel PV van voorlopige oplevering", schenden de appelrechters de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek.
16. Het onderdeel is in zoverre gegrond.

Tweede middel

17. Krachtens de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek zijn de aannemer en de architect gedurende tien jaar aansprakelijk voor het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van bouwwerken ten gevolge van gebreken in de constructie of de ongeschiktheid van de grond.
18. De bouwheer die zowel de aannemer als de architect aansprakelijk wil stellen, dient voor het verstrijken van de tienjarige termijn een vordering in te stellen tegen zowel de aannemer als de architect.
Het feit dat de bouwheer binnen de termijn een vordering instelt tegen de aannemer en dat deze aannemer binnen de termijn een vordering instelt tegen de architect, neemt niet weg dat de bouwheer zelf binnen de bedoelde termijn een vordering dient in te stellen tegen de architect.
19. Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.
Overige grieven
20. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de vordering van de eiseres tegen de eerste verweerster ingesteld bij conclusies van 23 september 1988 tardief en onontvankelijk verklaart en uitspraak doet omtrent de kosten verbonden aan die vordering.
Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.
Verklaart dit arrest bindend ten aanzien van de in bindendverklaring opgeroepen partijen.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten van haar cassatieberoep tegen de tweede verweerster.
Houdt de overige kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitentrechter over.
Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.
De kosten zijn begroot op de som van 1.141,00 euro jegens de eisende partij en op de som van 164,32 euro jegens de verwerende partij sub 1 en op de som van 164,32 euro jegens de verwerende partij sub 2.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit voorzitter Ivan Verougstraete, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Robert Boes, en de raadsheren Ghislain Londers, Eric Dirix en Beatrijs Deconinck, en in openbare terechtzitting van 29 september 2006 uitgesproken door voorzitter Ivan Verougstraete, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Philippe Van Geem.





MEER INFO?

Contactformulier

Consultatie na afspraak

De inhoud van deze website is louter informatief, en kan niet aanzien worden als het verlenen van juridisch advies, noch kunnen hieraan rechten ontleend worden. De auteurs aanvaarden hieromtrent geen enkele aansprakelijkheid.



Cassier &
Van Maldeghem

Kantoor Gent
Brugsevaart 31
9030 Gent

+32 (0)9 349 61 23


Kantoor Antwerpen
Brusselstraat 51
2018 Antwerpen

+32 (0)3 369 12 72


kantoor@cvm-advocaten.be